Meester, schieten en schelden mag niet

Je moet onze leerlingen kennen om hun woorden op waarde te schatten, vooral de manier waarop ze dingen zeggen. Hafida bijvoorbeeld, een 13-jarig Marokkaans meisje, geboren en getogen in Amsterdam-West, kan nogal rauw overkomen.

,,In Irak schieten ze de mensen toch ook dood! Daar zeggen jullie toch ook niks van! Wat kan mij 't schelen dat die man is doodgeschoten! Goed voor hem! Hij zegt Allah is een geitenneuker! Straks gaan ze hier nog moskeeën in de fik steken! Neehee! Neehee! Ik vind het niet erg! Altijd maar Allah dit en Allah dat, ze moeten gewoon hun bek houden! Toen die man werd doodgeschoten, zijn wij naar buiten gegaan om te dansen! Ja!''

Nogmaals, je moet Hafida kennen om op waarde te kunnen schatten wat ze zegt. Zij is altíjd in de contramine. Dit is niet goed en dat is niet goed, niets is bij Hafida ooit goed, niets van wat wij op school doen, en in meer uitgebreide zin, niets van wat wij Nederlanders in Nederland doen. Dat altijd in de contramine zijn zegt veel over hoe Hafida zich hier voelt.

Voordat Theo van Gogh werd vermoord, kende Hafida Theo van Gogh niet. Ze had nooit van de man gehoord. Inmiddels, nadat hij een week lang op zo ongeveer ieder televisiekanaal prominent aanwezig is geweest, kent ze Theo van Gogh bijna even goed als ik. Ze weet nu ook wat ze voordien niet wist, dat hij moslims bij voorkeur geitenneukers placht te noemen. Veel sympathie heeft Hafida niet voor hem gekregen, dat zal duidelijk zijn.

Hafida zit op een grote en zwarte vmbo-school in Amsterdam-West, of liever, op een aparte afdeling van dat vmbo, de praktijkschool, een school voor kinderen voor wie het eigenlijke vmbo te hoog gegrepen is. Het percentage autochtone Nederlanders onder onze leerlingen is minder dan één procent.

Bij ons zitten kortom alleen buitenlanders, allochtonen, veelal kinderen die hier geboren zijn, net als Hafida, die al hun hele leven hier wonen, die vloeiend Nederlands spreken, die niettemin dat stempel van buitenlander blijven dragen. Dat dat zo is en ook zo blijft, verklaart mijns inziens bovenstaande rauwe reactie van Hafida.

En niet alleen die van Hafida. Ik denk dat veel, heel veel van onze leerlingen zich wel kunnen vinden, in meer of mindere mate, in die boutade van Hafida. Dát het een boutade is, dat ze die dingen vooral zegt om mij, Nederlander, te provoceren, daaraan twijfel ik geen moment.

Het is eenvoudig niet waar, ze ís de straat niet op gegaan om symbolisch op het graf Van Gogh te dansen, maar het gevoel dat ze uitdrukt, in die ongelofelijk rauwe bewoordingen, is wel waar, dat gevoel is er, alarmerend genoeg, wel degelijk. En alweer: niet alleen bij Hafida. Veel van onze leerlingen hebben net als Hafida dat gevoel van z'n verdiende loon, van lekker dat nu ook eens `één van jullie' gepakt wordt. Ze zullen het lang niet allemaal hardop zeggen, ze heten niet allemaal Hafida, maar veel van onze leerlingen zullen iets, íéts van leedvermaak gevoeld hebben, `nou zie je wat ervan komt, nu krijgen jullie het terug'.

Nou zie je wat waarvan komt? Nu krijgen we wát terug? Het antwoord daarop is niet moeilijk. Van met de nek aangekeken te worden; van niet mee te tellen; van niet welkom te zijn; van beschouwd te worden als kut-Marokkanen.

Hafida kijkt televisie. Ze weet heel goed, al onze leerlingen weten heel goed, hoe de vlag er in Nederland bij hangt. Ze zitten op een zwarte school. Nederlanders, denkt Hafida, mijden deze school, omdat zíj er zitten. Nederlanders zoeken voor zichzelf een goede school, en ons, denkt Hafida, sturen ze naar een slechte school.

Dat zit bij onze leerlingen toch wel diep, hoor, dat gevoel van er niet bij te mogen horen. Wat voor uitwerking dat heeft, hebben we hierboven kunnen lezen. En toch, als ik gewoon naar Hafida blijft luisteren, ik ken de temperamentvolle Hafida langer dan vandaag, als ik af en toe knik om haar te laten merken dat ik haar gehoord en begrepen heb en niet begin tegen te sputteren, haar haar mening laat zonder haar onmiddellijk te willen corrigeren, te willen stichten, dan keert Hafida na verloop van tijd als vanzelf tot zichzelf terug, of liever, tot een ander deel van zichzelf, dat er ook is. Dan wordt ze rustiger en zegt ze, met een stem die veel zachter klinkt: ,,Mijn moeder zei: `is toch wel faja voor hem'.''

Faja is een woord dat onze leerlingen graag gebruiken, ik geloof dat het een Surinaams woord is, ik weet niet wat de oorspronkelijke betekenis is, maar onze leerlingen gebruiken het in de betekenis van: rot, klote. Ze roepen bijvoorbeeld `faja!', als ik ze mededeel dat de voor aanstaande vrijdag geplande schooldisco niet doorgaat, of als ik ze alleen al zeg dat ze nu hun boek moeten pakken en aan het werk moeten gaan. `Fajaaah! Nog even kletsen meester!' Natuurlijk heeft Hafida's moeder geen faja gezegd, zij spreekt Arabisch met Hafida, maar zo vertaalt Hafida het voor mij.

,,Is toch wel faja voor hem.'' Ik begrijp uit Hafida's verhaal dat ze samen met haar moeder tv zat te kijken, vorige week dinsdagavond, naar alle berichtgeving over de moord op Theo van Gogh, en dan zegt haar moeder dat het toch wel faja voor hem is. En dan zegt Hafida, nu, tegen mij: ,,Ik zeg tegen me moeder: `Wat faja! Lekker!' Maar ze had toch wel gelijk, meester, het is wel faja voor hem.''

Haar stem klinkt plots veel zachter. ,,Ja?'', zeg ik.

,,Ja, het is wel fout, meester, dat iemand hem heeft doodgeschoten, maar'', en even plotseling is ze weer helemaal de strijdbare Hafida, ,,slecht praten over de islam is óók fout! Wat praten jullie allemaal over de islam, jullie weten er niks van!''

Ik denk: daar zit misschien wat in.

,,Eigenlijk net zoals wij, meester'', vervolgt Hafida spontaan, weer met die veel zachtere stem nu, ,,als wij dingen over joden zeggen, eigenlijk weten wij daar ook niks van.''

Hafida, 13 jaar en met een IQ van hooguit 75, anders zat ze niet bij ons op de praktijkschool – ik had het niet achter haar gezocht.

Kees Beekmans is leraar op een zwarte vmbo-school in Amsterdam. Hij schrijft wekelijks in De Groene Amsterdammer over zijn leerlingen. In het nummer van deze week staat een wat langer stuk van Beekmans over het Marokkaanse onbehagen.