Het middenrif zit op slot

`Met eigen ziel in andermans huid' luidt de slogan waarmee Uitgeverij De Arbeiderspers de nieuwe bundel van Luuk Gruwez aan de man brengt. Allemansgek heet die bundel. Van Dale omschrijft de betekenis van dat woord als `sukkel die door iedereen voor de gek gehouden wordt' en, in verband met het spreekwoord `Al te goed is allemansgek', als iemand die het slachtoffer van zijn eigen goedheid wordt. Dit laatste, stelt de flaptekst van Allemansgek, is een prettige ironische bijkomstigheid, `want de dichter kan zich als ieders kloon voordoen. Omdat zijn biografische ik dan niet langer overeenstemt met dat van de dichter die door de mond van tal van personages `ik' kan zeggen, kan hij zich ook letterlijk alle mogelijke vrijheden toedichten, zelfs de morele vrijheid om zich te verplaatsen in lieden van discutabel allooi ... Hij kruipt in andermans huid, maar blijft in zijn eigen ziel.'

Het is niet mijn gewoonte om zo uitgebreid een flaptekst te citeren. Dat ik dat nu wel doe heeft een even simpele als principiële reden. Ook na driemaal lezen blijft de ziel van de dichter, Luuk Gruwez dus, volstrekt onzichtbaar achter de mom die zijn verzen tentoon spreiden. Met uitzondering van het gedicht `Speelplaats' en het duet `Volière' krijg ik zelden de indruk dat de schrijver betrokken is bij wat zijn inkt verkondigt. Er is bovenal buitenkant. Een fraaie buitenkant weliswaar – want Gruwez is een meesterlijk verzenbouwer – maar met een hoog Komrij-gehalte. Er worden stijlvolle pirouettes gedraaid, maar wat overblijft is illusie, is lucht. Misschien ziet Gruwez de wereld en het leven ook als zodanig. Lees zijn `Brief aan een architect':

Bouwen, cher ami, het is een zaak

van sleutelgaten. Alles staat of valt ermee.

Vergeet desnoods een deur of twee, een over-

loop of een wc. Vergeet veranda, hal en trap.

En ook een dak is niet vereist

want veel gastvrijer zijn de huizen zonder.

Maar zonder sleutelgat geen huis

Door sleutelgaten blijkt pas echt

wat van de een of van de ander,

wat binnen, buiten, hier of ginder is.

Zorg dus, mijn vriend, voor sleutelgaten.

Ontwerp een huis met zoveel sleutelgaten

dat het nog amper zichtbaar is.

En gooi vervolgens alle sleutels weg.

Vervang `bouwen' door `dichten' en `huis' door `gedicht', en je leest het recept van Allemansgek. De geciteerde tekst is overigens het eerste deel van een drieluik. In het derde deel klinkt een andere stem, die beloftevol uitzicht biedt op een huis `dat genereus zijn deuren voor mij opent / en mij met al zijn kamers welkom heet.' Maar dat huis is er nog niet, want

Toch schort het hier en daar de muren

aan memorie.

Toch is er nood aan nieuwe doden, jonge

anekdoten

De kamers vragen nog verlegen om

hun samenhang.

Pas dan ontstaat er een eendrachtig huis.

Pas dan is het tijd voor intimiteit.

Laat mij dan wonen.

Heel even is er uitzicht op bezieling, maar de werkelijkheid schiet tekort. Dat eendrachtige huis ligt voorbij de horizon. Dus heeft ook de lezer het nakijken.

Luuk Gruwez is een meesterlijk verzenbouwer. Na acht bundels heeft de dichterlijke trukendoos voor hem geen geheimen meer. Als weinig anderen beheerst hij het binnenrijm en het enjambement. Zijn idioom is ruim bedeeld, en zijn beeldspraak navenant weids. Naar buiten toe is er geen taboe. Zijn tekst verplaatst zich met groot gemak in de inborst van een geruimd gebeente en moordzuchtige schurken. Maar zijn eigen middenrif lijkt op slot.

Ik lees de verzen in Allemansgek met bewondering, verveel me geen tel – maar bij herlezing voel ik gemis. `Worden voor het diepe,' schreef Gruwez in het derde deel van zijn `Brief aan een architect': `voor het duistere, / voor het nietige vernielbare dat blijven wou, / niet onophoudelijk kelders gebouwd?' Die kelders mis ik in de gedichten in Allemansgek.

Is het een kwestie van taal? In het gedicht `Speech' meldt de dichter dat het Nederlands hem als Vlaming vernederd heeft en uit zijn Hoogstraat verdreef:

Het is het Nederlands dat mij

geplunderd heeft

en dat mij – tussen afval, schroot en puin –

vertrapt, gemarteld en vermorzeld heeft,

tot ik niet langer wist welk van mijn

ikken ík was.

Gruwez heeft iets met het ik. In de jaren zeventig studeerde hij af op een literair-psychologisch onderzoek naar de ik in twee brievenbundels van G.K. van het Reve. Het zou mooi zijn als hij in zijn volgende bundel het eigen ik hervindt.

Luuk Gruwez: Allemansgek. De Arbeiderspers, 51 blz. plus cd, €17,50