Eerst komt de daad, en dan pas de leer

Wat drijft islamitische extremisten? Sociale stagnatie, seksuele frustratie en politieke vernedering spelen allemaal een rol. Een Amerikaanse journaliste reisde door de haarden van terreur op zoek naar de feiten.

Wie zijn de religieuze terroristen en waarom doden ze? Dat waren de vragen waarmee de Amerikaanse terrorisme-expert Jessica Stern een paar jaar geleden de wereld van de religieuze terrorist introk. `Ik besloot iets te doen wat wetenschappers zelden doen: ik besloot met terroristen te gaan praten', schrijft ze in haar boek Terreur in naam van God, het resultaat van die gesprekken.

Stern ging in 1999 op reis, dus nog vóór Osama bin Ladens aanslagen van 11 september 2001 in New York en Washington. Die aanslagen zouden kunnen worden beschouwd als de definitieve doorbraak van het religieuze terrorisme in de publieke opinie.

Maar dat wil nog niet zeggen dat Stern te vroeg op pad ging of dat haar bevindingen zouden zijn verouderd. De religieuze terrorist had vóór 11 september al vele malen toegeslagen – denk bijvoorbeeld aan Hezbollah, de partij van God, tegen westerse doelen in Libanon, Hamas en Islamitische Jihad in Israël, protestantse extremisten in de Verenigde Staten en joodse tegen Palestijnen. De seculiere terroristen, de marxistische Palestijnen met hun vliegtuigkapingen, de nihilistische Abu Nidals en de extreem-extreemlinkse rode legers, hadden allang afgedaan en plaatsgemaakt voor strijders van God in vele soorten en smaken. En Gods strijders maken geen aanstalten het strijdperk te verlaten. Integendeel, ze rukken op.

Sterns overkoepelende conclusie na haar speurtocht in Amerika zelf, in Israël, Pakistan, Indonesië en de Palestijnse gebieden is nauwelijks verrassend. `Het gaat over de wereld zien in zwart en wit. Over het projecteren van al je angsten en onvolkomenheden op de Ander. Waarom gaat mijn leven niet zo goed als het zou moeten? Het antwoord is: Amerika. Het antwoord is: positieve discriminatie. Het antwoord is: de joden. Het antwoord is: de Rotskoepel (moskee in Jeruzalem). Een duivelse intrigantenkliek beheerst het bankstelsel en de pers via globalisering en wereldregering', zo omschrijft ze de motieven van de mensen die er uiteindelijk toe over gaan te doden. Het gaat om wrok, vernedering en hebzucht als individueel uitgangspunt, voor de groepsidentiteit aangevuld met een forse scheut geschiedenis en vervolgens flink opgeklopt met politieke en met name religieuze peptalk: `ons land is heilig' of `wij zijn Gods volk dat tot taak heeft af te rekenen met Gods vijanden', en `het paradijs wacht ons'. En daar vertrekt de religieuze terrorist in de gelukzalige overtuiging van het gelijk van zijn missie op zijn bloedige pad.

Er zijn al veel boeken geschreven over religieuze terreur in het algemeen, en nog meer over islamitische terreur in het bijzonder. Maar het interessantst en het inzichtelijkst wordt het vaak pas als de auteur vanuit de keuken van de terrorist rapporteert. Hoe raakt een individu zo geradicaliseerd dat hij bereid is te doden? De persoonlijke omstandigheden van de `twintigste kaper', de Franse Marokkaan Zacarias Moussaoui, laten overtuigender zien dan een beschouwing over de aantrekkingskracht van jihad-theoretici als Sayd Qutb of Abdullah Azzam, hoe een intelligente, ambitieuze jongeman bij het moslimextremisme terecht kan komen. Daarbij gaat het immers meestal niet in de eerste plaats om de theorie; die volgt pas later, na de inlijving.

Bij Zacarias Moussaoui begon het met ambities die tot niets leidden, wat hij toeschreef aan racistische discriminatie, aldus zijn door zijn broer Abd Samad vertelde levensverhaal. Dat vernederende gevoel er niet bij te mogen horen, wegens zijn Marokkaanse achtergrond niet te kunnen bereiken waarop hij recht had, leidde tot diepe verongelijktheid en opstandigheid. Via verkeerde vrienden en een warm welkom in een extremistische moskee in Londen kwam zijn rekrutering voor de heilige oorlog in zicht. Zo kunnen ook in Nederland Marokkaanse leerlingen van havo en vwo op het jihad-pad verzeild raken.

Stern is eveneens op haar best als ze de terrorist opzoekt op zijn thuisbasis en naar zijn daden en beweegredenen vraagt. Het levert soms haast hilarische dialogen op, zoals het beleefde gesprek met de radicale Indonesische geestelijke Ja'far Umar Talib, oprichter van de jihadgroepering Laskar Jihad, onder meer verantwoordelijk voor dodelijke aanvallen op christelijke dorpen op de Molukken. In 2001, toen Stern hem in Jakarta sprak, was Ja'far zojuist ontheven van het huisarrest dat hem was opgelegd omdat hij leiding had gegeven aan de steniging van een overspelige volgeling.

,,Hoe vond u het om mujaheed te zijn in Afghanistan?'' vraagt Stern via een tolk in minirok vanachter een gordijn – Ja'far wil niet rechtstreeks tot vrouwen spreken, ook al heeft hij er zelf vier. ,,O, uitstekend'', zegt hij. ,,Wat heeft u daar gedaan?'',,Tegen de Sovjets gevochten.'' ,,Heeft u ooit iemand gedood?'',,Dat weet ik niet. We hadden langeafstandswapens.''

Stern besteedt weinig aandacht aan de aanwezigheid van (hoog)opgeleide moslims in Europa en Amerika – zoals Moussaoui – die zich tot de terroristische islam hebben bekeerd; en dat is nou juist de globalisering van Al-Qaeda(achtige) terreur die de westerse gemoederen bezighoudt. Hier wreekt zich waarschijnlijk het feit dat haar boek is geconcipieerd ruim vóór 11 september, toen bleek dat verscheidene van de negentien deelnemende kapers zich jarenlang in het westen op hun actie hadden voorbereid. Haar bijdrage op het terrein van de globaliserende moslimterreur blijft beperkt tot het bespreken van de `slapende cel' Khalfan Khamis Mohamed, een Tanzaniaan die door Al-Qaeda tot leven werd gewekt voor de aanslag van 1998 op de Amerikaanse ambassade in Dar-es-Salaam. Hij was echter nauwelijks opgeleid, leefde nog steeds in zijn geboorteland en is dus in dit verband niet van belang. Mohamed was op Sterns weg gekomen omdat zijn advocaten haar hadden gevraagd tijdens zijn proces in New York als getuige-deskundige op te treden.

Stern verklaart evenmin waarom leden van rijke en prominente families het religieus terrorisme ingaan, zoals Bin Laden, zoon van een Saoedische miljardair, en zijn tweede man, de Egyptenaar Ayman al-Zawahiri, een arts wiens grootvader oprichter van de Arabische Liga was. Zij vormen uitzonderingen op de regel van de Egyptische socioloog Saad Eddin Ibrahim. Die heeft uit onderzoek in Egyptische gevangenissen geconcludeerd dat met name in hun ambities gefrustreerde bijna-middenklassers tot extremisme zijn geneigd, en niet de rijken en de middenklasse omdat die nu eenmaal weten wat er in de wereld te koop is.

Interessanter is het hoofdstuk over Palestijnse zelfmoordterreur. Toen het zelfmoordterrorisme van Hamas en Islamitische Jihad in de jaren negentig begon verwachtten veel deskundigen – ook de Israëlische veiligheidsdiensten – dat de voorraad mensen die bereid waren zich met zoveel mogelijk Israëlische burgers op te blazen, snel uitgeput zou raken. Maar het tegendeel bleek het geval.

In een gesprek met Stern zegt een later door Israël geliquideerde Hamasleider, Abu Shanab, dat `moslims de plicht hebben tegen een bezetting te strijden'. Een andere Hamasleider, sjeik Younis al-Astal, zegt dat `de islam zich onderscheidt omdat het geloof de mensen erop voorbereidt voor Allah te sterven. Ze zijn altijd bereid voor Allah te sterven.' Alsof de vrijwilligers voor zelfmoordterreur uit eigen beweging zouden toestromen. Maar zo gemakkelijk ligt het niet. Stern wijst erop dat de Palestijnen zijn ondergedompeld in een `epidemie van wanhoop' door de armoede in de bezette gebieden, de vernederingen door het Israëlische leger en kolonisten en de uitzichtloosheid van de situatie, wat duidelijke riscofactoren voor terrorisme zijn. Ze voegt er wél terecht aan toe dat de zelfmoordaanslagen niet alleen een uitdrukking zijn van individuele wanhoop, maar dat ze in de meeste gevallen worden georganiseerd en gefaciliteerd door terreurgroepen met uitgesproken politieke doelstellingen – Hamas en Islamitische Jihad. De 72 maagden die de martelaar in het paradijs tegemoet mag zien worden daarbij door de organisaties ten volle uitgespeeld. ,,De meeste jongens denken constant aan maagden'', citeert Stern een jong Hamaslid tegen een Amerikaanse journalist.

De zelfmoordterroristen zijn overigens lang niet allemaal arm of in een uitzichtloze situatie, en ook niet allemaal mannen. Er zijn hoogopgeleide vrouwen bij, zelfs moeders van jonge kinderen. Volgens Stern is er sprake van `sociale besmetting' die in een cultus is ontaard: de aanslagen ontwikkelen een eigen drijfkracht. Op straat spelen kinderen een spel dat martelaars (shuhuda) heet, constateert ze, en in popsongs worden martelaren opgehemeld.

Ronduit beangstigend zijn Sterns reportages over haar bezoeken aan moslimextremisten in Pakistan in 1999 en 2000. Dat ze dat überhaupt heeft gedurfd, denkt de lezer die weet hoe het vorig jaar met de evenals Stern joodse Amerikaanse journalist Daniel Pearl afliep (lees Bernard-Henry Lévy, Wie vermoordde Daniel Pearl? voor een bloedstollend denkbeeldig verslag over diens onthoofding).

Wat vooral naar voren komt is het gemak waarmee arme Pakistanen – en van hen zijn er heel veel – hun kinderen offeren voor de jihad, bijvoorbeeld in Kashmir, hoe vanzelfsprekend de kinderen zelf dat vinden en hoe probleemloos radicale geestelijken tegenover Stern over hun indoctrinatie op de Pakistaanse madrassa's (koranscholen) uitweiden.

Stern reist met een Pakistaanse liefdadigheidsorganisatie, de Shuhda Islam Foundation (islamitische martelaren stichting) naar een streek ten noorden van Lahore waar de stichting negenhonderd gezinnen financieel steunt (en eraan herinnert hoe goed ze hebben gedaan door zoons te offeren). Een familie die Stern spreekt is er fors op vooruitgegaan door de steun van de stichting in ruil voor hun zoon. Een tweede zoon was al opgeleid tot mujaheed, maar was tijdelijk thuis en een derde zoon, tien jaar oud, was eveneens voorbestemd voor de jihad. ,,We schenken onze jongste zoon aan God. Als hij van de lagere school komt gaat hij fulltime naar een madrassa (koranschool - red.) om zich geestelijk en lichamelijk voor te bereiden op de jihad'', vertelt zijn vader aan Stern. Een andere familie heeft zeven zonen die allemaal in Afghanistan tot mujaheed zijn opgeleid. ,,Ze wilden zelf'', zegt hun vader, ,,maar ik heb ze ook aangemoedigd''. Zijn vijfde zoon is al gesneuveld. ,,Iedereen behandelt me met meer respect nu ik een martelaar als zoon heb. En als er een martelaar in het dorp is, is dat een stimulans voor andere kinderen om zich bij de jihad aan te sluiten.''

Deze achteloosheid waarmee de zoons de jihad worden ingestuurd is des te beangstigender in combinatie met de Pakistaanse kernbom en de nauwe relaties die de machtige Pakistaanse inlichtingendienst, de ISI (Inter Services Intelligence), met veel moslimextremistische groepen onderhoudt. Stern schrijft er ook over. Die band tussen de ISI en extremisten is geen geheim; de ultrafundamentalistische Talibaan werden door de dienst in het buurland Afghanistan aan de macht gebracht. Pearls biograaf Lévy gaat zelfs zover – maar bouwt wel aanname op aanname – de ISI een rol bij de aanslagen van 11 september toe te bedelen. Wat betekent het voor de wereld als extremistische elementen binnen de ISI de macht zouden grijpen in Pakistan?

Ten slotte. Voor een tweede druk zou Stern ook eens bij een mainstream-geestelijke als sjeik Yusuf al-Qaradawi langs moeten gaan om te horen wat hem beweegt. Qaradawi ligt op het ogenblik onder zwaar vuur van Arabische intellectuelen wegens zijn uitspraken over de religieuze toelaatbaarheid van het doden van Amerikaanse burgers in Irak. Geestelijken zoals hij zijn er volgens de gezaghebbende Saoedische journalist Abdul Rahman al-Rashid verantwoordelijk voor dat ,,een onschuldige en welwillende godsdienst'' is veranderd in een ,,alomvattende boodschap van haat''. Ongeveer drieduizend islamitische intellectuelen hebben hun handtekening gezet onder een petitie die de Verenigde Naties oproept geestelijken als Qaradawi voor een internationaal hof te vervolgen. Naast wrok, vervreemding, vernedering en Amerika leveren ook deze geestelijken een belangrijke bijdrage aan het religieuze terrorisme.

Jessica Stern: Terreur in naam van God. Vertaald uit het Engels door M. Hulsbosch. Het Spectrum, 384 blz. €24,95

Abd Samad Moussaoui en Florence Bouquillat: Zacarias Moussaoui, mijn broer. Het levensverhaal van de twintigste kaper. Vertaald uit het Frans door Ed' Korlaar. Fagel, 207 blz. €16,50

Letter from Liberal Arabs and Muslims, www.metransparent.com/english.html