Een groot ritueel zoekt betekenis

Frits Staal is een vooraanstaande geleerde die zijn sporen en ons respect heeft verdiend door onderzoek te doen op het gebied van de culturele antropologie van Zuid- en Zuidoost-Azië. Zijn belangrijkste werk is Agni, The Vedic Ritual of the Fire Altar, een uitvoerige beschrijving van dit drieduizend jaar oude Vedisch ritueel in Zuid-India. Staal baseerde er zijn eigen uitdagende theorie op dat rituelen betekenisloos zijn. Alles draait om de juiste procedure, en niet om de religie waarbinnen dat ritueel plaatsvindt. Het ritueel heeft wel een syntaxis, maar geen semantiek.

Dat was belangrijk, omdat Staal in het ritueel een bron ziet voor onderzoek naar de oorsprong van de menselijke taal: die zou, luidt zijn hypothese, niet zijn ontstaan om kennis op te slaan, maar om te communiceren.

Staal is alweer bijna veertig jaar geleden vertrokken naar de Verenigde Staten, waar hij in 1968 aan de universiteit van Berkeley benoemd werd tot hoogleraar in de filosofie en de Aziatische talen. Zijn vertrek uit Nederland ging met veel tumult gepaard, voor een deel het gevolg van zijn polemische artikel `Zinloze en zinvolle filosofie' dat in 1967 in De Gids was verschenen. Daarin hekelde hij `het drijfzand van de moderne Duitse filosofie' en de Franse fenomenologie, die hij karakteriseerde als `een metafysica van de achterlijkheid'. In dat artikel gaf hij de voorkeur aan de analytische filosofie die heldere analyse van taal en begrippen nastreefde: `Met de ontwikkeling van de analytische filosofie is ook vooruitgang in de filosofie niet alleen weer mogelijk, maar zelfs een feit geworden.'

Staal had een bredere belangstelling dan alleen filosofie; zo publiceerde hij in de tijdgeest van de psychedelische jaren zestig een rationele analyse van mystiek, Het wetenschappelijk onderzoek van de mystiek. Om zijn kritisch-rationalistische stellingname werd hij geprezen door onder anderen Harry Mulisch, die een voorwoord schreef bij zijn eerste Nederlandstalige essaybundel Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap (1986).

Uit zijn jongste verzameling essays Drie bergen en zeven rivieren (waarvan de titel een verwijzing is naar het grensgebied van Afghanistan, Pakistan, India, Nepal, Tibet en China) blijkt dat Staal inmiddels ook sceptischer is geworden over de analytische filosofie. `Ik heb het punt bereikt dat de ``gewone taalfilosofie'' me even weinig boeit als de fenomenologie', schrijft hij. Zijn belangstelling heeft zich toegespitst op de linguïstiek en de culturele antropologie.

Zedenschandalen

De meeste essays uit deze bundel gaan dan ook niet over filosofie. Na een oratie uit 1999, `Varen onder eigen vlag', waarmee hij het academisch jaar opende van zijn alma mater, de Universiteit van Amsterdam, volgen stukken over koloniale zedenschandalen en homoseksualiteit in Azië. Dat laatste essay is informatief en lezenswaardig – Staal beschrijft hoe verschillende vormen van homoseksualiteit al eeuwenlang bestonden in Azië en pas na de komst van monotheïstische koloniale machten onderdrukt werden – zeker voor een lezer die, zoals deze bespreker, helemaal niets van dat onderwerp afweet. Toch gaat Staals conversatietoon na het lezen van enkele essays enigszins tegenstaan. Ruiterlijk erkent hij dat hij `niet anders dan anekdotisch te werk gaat', `vrijelijk rond beweegt' en `met name zal trachten iets te laten zien', maar dat is wel erg vrijblijvend.

Ondanks zijn scepsis over de filosofie gaan de centrale essays toch over onderwerpen die doorgaans daartoe gerekend worden. `Het postrelativisme' opent bijvoorbeeld met de stellige mededeling: `Het is de hoogste tijd om met al het relativisme dat ons omgeeft nu eens definitief af te rekenen.' Dat belooft wat, maar er volgt slechts: `Dat is helemaal niet zo moeilijk. Argumenten voor het relativisme ondergraven zichzelf.' Staal heeft toch wel méér te melden dan deze oude dooddoener? Over dit onderwerp helaas niet. Staal stelt in plaats daarvan de empirische vraag aan de orde of filosofie, godsdienst en wetenschap licht werpen op het vóórkomen van relativisme. Zijn antwoord over de filosofie luidt dat `filosofen pas zullen kunnen beoordelen of hun vakgebied het relativisme al dan niet bekrachtigt nadat [alle denktradities] in de wereld toegankelijk zijn gemaakt.' Maar met die opmerking bijt hij in zijn eigen staart. Immers, als Staal hierin gelijk heeft, dan weerlegt het relativisme zichzelf dus blijkbaar niet a priori en moet er eerst empirisch onderzoek naar gedaan worden, en dat is weer in strijd met de openingszin van het essay. Staal gaat er overigens van uit dat de filosofie zelf relatief is: hij noemt wetenschap universeel en internationaal, `in tegenstelling tot religie en filosofie'.

Alfa en bèta

Prikkelend is het essay `Alfa, bèta en verder', waarin Staal terecht het in Nederland zo dominante onderscheid afwijst tussen alfa en bèta. Hij vraagt zich af hoe het ooit is ontstaan en meent dat daarop een nauwkeurig antwoord te geven is: het stamt van de negentiende-eeuwse Duitse filosoof Dilthey, die verschil maakte tussen Naturwissenschaften en Geisteswissenschaften. Dat antwoord is wel nauwkeurig, maar onjuist. Het onderscheid is te danken aan John Stuart Mills A System of Logic uit 1843.

Het artikel `Het taaldier' opent met de volgende alinea, die kenmerkend is voor de onderhoudende toon maar ook de zwakke kant van deze bundel en die het daarom waard is volledig te citeren: `In de prospectus voor dit boek staat te lezen dat de auteur vele jaren geleden ontdekte dat de regels van het vedische ritueel van dezelfde aard zijn als die van de taal en de grammatica, waarop hij de revolutionaire hypothese opstelde dat ``taal van ritueel afstamt''.' De tekst vervolgt: `Sindsdien heeft Staal zijn theorie aanzienlijk uitgebreid. Met de voor hem kenmerkende helderheid en eenvoud ontvouwt hij in het centrale essay van deze bundel zijn nieuwe ideeën.

`Nu zit ik voor mijn beeldscherm om dit alles waar te maken. Laat ik de beproeving nog even uitstellen door u iets te vertellen wat u misschien helemaal niet wilt weten: ik zit in Californië en buiten regent het dat het giet.'

Dit is flauw, maar wekt ook verwachtingen die Staal vervolgens niet waarmaakt. Het centrale essay over taal biedt een herhaling van zijn hypothese dat het ritueel bestaat uit betekenisloze syntaxis, aangevuld met wetenswaardigheden over vogels en kunstmatige talen, die kennis formuleren waarvoor natuurlijke talen niet geschikt zijn. Het mondt uit in de hypothese dat `theorievorming het product is van voortschrijdende cognitie die geworteld is in de menselijke natuur en die eerst in de klassieke talen van de wetenschap werd geformuleerd'. Dit is geen nieuw idee, en ook geen filosofie. Het is speculatieve wetenschap. Ten slotte: de voetnoten suggereren een bibliografie die helaas ontbreekt. Ik weet niet waar `Staal 1998' naar verwijst en eerlijk gezegd weet ik dat ook niet van deze Staal anno 2004.

Frits Staal: Drie bergen en zeven rivieren. Meulenhoff, 304 blz. €22,50