Een beetje minder authentiek graag

De leiderschapscrisis in Nederland is weer duidelijk zichtbaar. Wetenschappers zoeken naar passende vormen voor de democratie in de 21ste eeuw.

Door de nasleep van de mooord op Theo van Gogh is het Nederlandse landsbestuur gedompeld in een leiderschapscrisis. Het begon ermee dat de minister van Integratie en Vreemdelingenbeleid, Verdonk (VVD), op de dag van de moord vorige week dinsdag naar Amsterdam werd gestuurd als spreker op de lawaaimanifestatie. Het kabinet onderschatte kennelijk de collectieve stress die om zich heen greep in de samenleving: daarbij past een openbaar optreden op de Dam van de minister-president zelf. Vervolgens werd het vorige week erger. De dreigbrief op het lichaam van Van Gogh bleek gericht tegen het Kamerlid Ayaan Hirsi Ali en via haar tegen haar `joodse bazen' bij de VVD, maar ook tegen PvdA-burgemeester Cohen van Amsterdam en de regering. Het ministersduo Donner (Justitie, CDA) en Remkes (Binnenlandse Zaken, VVD) organiseerde daarom een persconferentie: de nationale rechtsorde werd bedreigd. Zij waren hierdoor geschokt, verontrust, en bedrukt. Premier Balkenende constateerde vanuit Brussel vagelijk dat `er iets is geknapt' in de samenleving. Zalm verklaarde vervolgens desgevraagd de oorlog aan de terreur, en intussen begon iedereen elkaar alvast de schuld te geven van al dan niet optreden. De Amsterdamse autoriteiten verwezen naar de Haagse, en in Den Haag wees Remkes naar Donner. De premier deed op de tv-camera een oproep om op te houden met `Haagse spelletjes'. Een persoonlijke demonstratie van machteloosheid.

Nu is de Nederlandse minister-president vergeleken met zijn Europese ambtsgenoten in eigen land van oudsher niet een erg machtige figuur. Hij is op zijn best de eerste onder zijns gelijken. Maar onder invloed van de doorgaande Europese eenwording wordt de Nederlandse premier steeds meer gezien als de regeringsleider. Om te beginnen in het buitenland, maar ook in de binnenlandse politiek. Balkenende wordt nu met de nadelige kant van dit regeringsleiderschap geconfronteerd: leiderschap moet worden getoond in woord en daad.

Leiderschap, of preciezer de zoektocht naar leiderschap in het post-Fortuynse Nederland staat centraal in de bundel die de Utrechtse bestuurskundige Paul 't Hart en Trouw-journalist Marcel ten Hooven eerder dit jaar lieten verschijnen. Hun boek is opgebouwd uit vijf tweeluiken van telkens een essay door 't Hart en een `interviewreportage' van Ten Hooven. Op zoek naar leiderschap past binnen de voortgaande stroom publicaties die proberen te begrijpen wat er nu eigenlijk in het Fortuynjaar 2002 is gebeurd. Recenter verscheen in ditzelfde genre De staat van de democratie. Democratie voorbij de staat, een bundeling opstellen onder verantwoordelijkheid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), tevens bedoeld voor het afscheid van de voormalige voorzitter van dat orgaan, prof. mr. M. Scheltema. Deze `verkenning', zo valt te lezen, werd geboren uit ongerustheid over het kennelijke disfunctioneren van de democratie in verschillende landen van Europa. De WRR-studie kiest dus een wat breder perspectief dan het leiderschapsthema van 't Hart en Ten Hooven.

Veerkracht

In Op zoek naar leiderschap maken de schrijvers geen geheim van hun politieke plaatsbepaling: zij steunen het CDA. Toenmalig PvdA-minister-president Wim Kok was `een voortreffelijk premier en een mislukt politiek leider'. De huidige PvdA-leider Wouter Bos is `een politieke yuppie met een achtergrond in het internationale bedrijfsleven'. Balkenende daarentegen `bracht het als kersverse premier allemaal wat onbeholpen, maar hij deed wel wat er van leiders in onzekere tijden mag worden verwacht: normen en waarden een centrale plaats geven op de politieke agenda.'

De auteurs zijn ook niet bepaald voorvechters van grote politieke of staatkundige hervormingen. Zij concluderen tegen het slot van het boek dat het politiek systeem in het jaar 2002 en daarna zijn `veerkracht' heeft getoond, dat van een revolutie geen sprake was maar wel van restauratie, en dat de Nederlandse kiezer niet zozeer op zoek was naar `krachtig' leiderschap als wel naar `authentiek' leiderschap. Aardig is dat 't Hart en Ten Hooven trachten een verklaring te vinden voor het electorale succes van `studeerkamergeleerde' Balkenende en het volgens de auteurs groeiend gezag van de `klassieke anti-revolutionair' Donner. Dit zouden zij te danken hebben aan de indruk die ze wekken leiders te zijn met een `helder en herkenbaar waardenkompas', gebaseerd op hun `inhoudelijke overtuigingskracht' en `consequente systeemverdediging. Daardoor kunnen zij prioriteiten stellen en zichzelf duidelijk ten opzichte van anderen profileren, zo stellen 't Hart en Ten Hooven. Het is een interessante these, zeker ook omdat Balkenende zelf graag verwijst naar zijn `interne kompas' als houvast bij zijn leiderschap.

In de WRR-bundel exploreert een twintigtal onderzoekers in vijftien hoofdstukken mogelijke alternatieven voor het vigerende democratisch stelsel in Nederland. Eigenlijk, en dat is verrassend, is de adviesraad avontuurlijker dan 't Hart en Ten Hooven in hun boek. De eerste elf hoofdstukken geven `empirische inzichten' in uiteenlopende kwesties die te maken hebben met de `verplaatsing van de politiek' (naar de buurt, naar Europa, naar `wereldorganisaties'), in de verandering van burgerschap, in de kennissamenleving en de relatie tussen media en democratie. In de laatste hoofdstukken wordt vervolgens nagegaan hoe de geschetste ontwikkelingen in verschillende benaderingen van democratie kunnen worden opgevangen.

Naast het huidige stelsel van representatieve democratie gaat het om de directe democratie, de `deliberatieve' democratie die ervan uitgaat dat democratische besluitvorming het beste kan gebeuren op basis van uitwisseling van argumenten en niet op basis van een optelsom van kiezersvoorkeuren, en ten slotte de `associatieve' democratie, die uitgaat van verregaande autonomie van bijvoorbeeld scholen, beroepsorganisaties en beroepsbeoefenaars. De pleitbezorger van dit alternatief, WRR-stafmedewerker Engelen, die ook een van de redacteuren was van de bundel, draait de vraag die het jaar 2002 heeft opgeworpen om: `Het is niet de populistische revolte van 2002 die een verklaring behoeft, maar juist de geringe frequentie van dit type revoltes tegen de geprofessionaliseerde politieke kaste.'

Beide bundels bieden een kaleidoscopisch beeld van het centrale thema, respectievelijk leiderschap en democratie. De bundel van de WRR is het interessantst, maar, toegegeven, de vergelijking gaat wat mank vanwege het grote verschil in inzet van mensen en materieel. Het boek van 't Hart en Ten Hooven is, hoewel bij vlagen lezenswaardig, minder geslaagd. Inhoudelijk zijn de verschillende hoofdstukken van ongelijk gewicht. De bundel begint met de eerste twee essays van 't Hart over de vraag wat publiek leiderschap is en welke typen leiderschap men zoal kan onderscheiden. Daarna volgen de op het oog vrij willekeurig gekozen opstellen over politiek-ambtelijke koppels, het aantreden en vertrekken van leiders, en de toekomst van het politiek leiderschap. Stuk voor stuk hoofdstukken met hier en daar interessante elementen: zo worden in het essay `Gaan en Komen' de gedragspatronen geschetst van vertrekkende leiders en hun aantredende kroonprinsen.

Sjaalman

Vaak is niet duidelijk wat de relevantie van deze elementen is. Daar komt bij dat de relatie tussen de essays en de bijdragen van Ten Hooven ook niet altijd even helder is: waarom het stokoude verhaal over de leiderschapswisseling van Hans Wiegel door Ed Nijpels in de VVD? Waarom zijn trouwens de geïnterviewden zo uit de oude doos? Oud-premier De Jong, eenpersoonsdenktank van de PvdA Van der Zwan, ex-D66 leider Van Mierlo: het lijkt wel een zolderopruiming. Daar komt bij dat het boek ronduit slecht is geredigeerd. Dat geldt vooral voor de essays van 't Hart waarin slordigheden zijn blijven staan (is `ik' of zijn `wij' aan het woord), waarin toverformules voorkomen als `de centrale uitdaging voor conserverend leiderschap ligt erin een balans te vinden tussen responsiviteit en autonomie', en gruwelijke woordstapelingen als `hervormingssucces', `doelbereiking' of `keuzesituaties'. 't Hart kan ook niet kiezen voor de meest passende typering van het huidige politieke tijdsgewricht. Is het nu een `mediagestuurde dramademocratie' of een `postmoderne toeschouwersdemocratie'.

Het boek van `t Hart en Ten Hooven biedt grondstof voor een degelijke monografie over de betekenis van leiderschap in de Nederlandse democratie, maar door het pak-van-Sjaalman-achtige karakter wekt de bundel de indruk van haastwerk. Dat is jammer en bovendien roepen de huidige turbulente ontwikkelingen sinds de moord op Van Gogh nieuwe vragen op. Bijvoorbeeld rond het thema van het islamitisch extremisme in Nederland, de relatie tussen radicale en gematigde moslims, de verhouding tussen moslims en niet-moslims, de manier waarop bestuurders daarmee omgaan, en de mogelijke consequenties van de keten van gebeurtenissen die zich nu ontrolt voor de openbare orde en veiligheid en de rechtsstaat. De conclusie van 't Hart en Ten Hooven dat na de revolte de rust is weergekeerd in Nederland, is deze week ontkracht. Dat maakt een nieuwe zoektocht naar leiderschap en naar de staat van de democratie een dringende noodzaak.

Paul 't Hart en Marcel ten Hooven: Op zoek naar leiderschap. Regeren na de revolte. De Balie, 304 blz. €24,50

E.R. Engelen en M. Sie Dhian Ho (red.): De staat van de democratie. De democratie voorbij de staat. Amsterdam University Press, 368 blz. €34,95