Denken is de eerste levensbehoefte

Filosofie is volgens de Amerikaan Stanley Cavell niet alleen een academische discipline maar ook een democratische factor. Zelfs het kijken naar oude Hollywood-films kan daarbij helpen.

Soms lijkt het erop dat filosofie en het dagelijks leven naar elkaar opschuiven. Boekjes over wijsgerige levenskunst en filosofische consulenten concurreren met psychologen om verwarde zielen op weg te helpen. Terwijl Marx, Kierkegaard en Nietzsche nog waarschuwden vooral niet elke dag de krant te lezen, hebben tv-programma's vandaag de dag hun huisfilosoof en krijgen sommige denkers zoals de Duitser Sloterdijk zelfs een eigen programma. Maar tegelijk lijken filosofen niet al te alledaags te mogen worden. Welke kijker voelde geen gêne toen Martha Nussbaum snikkend om de dood van haar moeder en zwetend op de hometrainer bij Wim Kaiser in beeld kwam?

De Amerikaanse filosoof Stanley Cavell schrijft even makkelijk over de taalfilosofie van Austin en Wittgenstein als de existentiefilosofie van Heidegger, psychoanalyse en literatuur. Hij maakte vooral naam met The Claim of Reason: Wittgenstein, Scepticism, Morality, and Tragedy (1979) en is met zijn aandacht voor autobiografie en commerciële cultuuruitingen bij uitstek een denker die de no go-areas van de filosofie in zijn werk incorporeert. Waar bij de meeste filosofen slechts het inleidend dankwoord een licht werpt op het persoonlijke leven van de auteur, wisselt Cavell precieze filosofische analyses af met bespiegelingen over het huwelijk van zijn ouders en zijn eigen ontwikkeling van musicus tot filosoof. En terwijl er in de academische filosofie nog volop wordt gediscussieerd over de vraag of literatuur filosofie kan verrijken, heeft Cavell Hollywood-films uit de jaren dertig en veertig in het filosofische klaslokaal geïntroduceerd. Films waarin hij genuanceerde morele overdenkingen terugziet in plaats van een homogene eenheidsworst of kritiekloze bevestiging van patriarchale verhoudingen – de meer gangbare conclusies waar de filmwetenschappen volgens Cavell in blijven steken.

Irritatie

Cavell vindt dat de filosofie een morele plicht heeft de menselijke ziel te bevrijden uit chaos. Een therapeutische missie die de Griekse filosofie vertrouwd was – en die Cavell ook leest in het werk van zijn grote voorbeeld Wittgenstein –, maar die de hedendaagse Amerikaanse filosofie grotendeels verzaakt. In Cities of Words traceert Cavell dan ook in een aantal films en in het werk van auteurs als Kant, Plato, Emerson, Shakespeare en Ibsen een ethisch perspectief waarin de vraag naar het goede leven centraal staat. Het gaat Cavell in dit boek vooral om die momenten waarop de huidige wereld ons teleurstelt en we ons afvragen wie we willen zijn en welke samenleving de moeite waard is. Een existentiële zoektocht die onherroepelijk gepaard gaat met scepsis waarbij elke taal irriteert en anderen ons vreemd voorkomen. De weg uit deze twijfel is niet op zoek te gaan naar geluk – je `lekker in je vel voelen'. Een juiste levenshouding kenmerkt zich volgens Cavell eerder door de erkenning van een `gespleten zelf'. De mens moet het leven blijven bevragen en zichzelf trachten te transformeren. Maar niet door zich te spiegelen aan bovenmenselijke maatstaven – absolute kennis, het leven van een heilige of continue passie – maar door de koning-filosoof als het ware in zichzelf te zoeken. Een authentiek zelf ziet het `buitengewone in het gewone, en het gewone in het buitengewone' en is bovendien ontvankelijk voor anderen. Want hoewel Cavells visie onmiskenbaar individualistisch gekleurd is, gaat het hem niet om een leven zonder sociale banden. Juist de conversatie met vrienden kan de zoektocht verhelderen.

Dat elk mens – hoe impliciet ook – een proces van filosofische reflectie doormaakt illustreert Cavell aan de hand van huwelijkscomedies uit de jaren dertig, zoals Philadelphia Story and The Awful Truth. Met de wetenschap dat eeuwige hartstocht en een immer meeslepend leven een illusie is, twijfelen de koppels in deze films of ze hun huwelijk zullen voortzetten. Volgens Cavell volgt de verzoening pas als het stel inziet dat de ander altijd tot op zekere hoogte een vreemde zal blijven en zich dus realiseert dat een zekere mate van scepsis – en daarmee gekibbel en wederzijdse irritatie – in het leven onvermijdelijk is. Wanneer je jezelf dan toch beter begrijpt met die ander dan zonder, is de beslissing om samen verder te gaan snel genomen.

Cavell heeft filosofie weleens `education for grown-ups' genoemd. Een manier van denken die meestal niet welkom is maar de mens wel van nature toekomt en die van groot democratisch belang is. Met een ongebreideld Amerikaans optimisme merkt Cavell op dat er geen grotere bijdrage aan de gemeenschap mogelijk is dan je uitingsvrijheid uit te oefenen. Maar pas als burgers zichzelf kennen en hebben nagedacht over de vorm van een rechtvaardige samenleving weten zij of ze ook werkelijk instemmen met politieke arrangementen. Volgens Cavell valt of staat de legitimiteit van een democratie bij burgers die de zorg voor het zelf serieus nemen. De droom achter Cities of Words is, schrijft hij, dat elke lezer zichzelf verder kan ontwikkelen `in conversatie met de boeken en films' die in het boek besproken worden.

Maar Cavell maakt het de meeste lezers niet makkelijk. Zo komt het boek voort uit een vak waarbij de studenten met de teksten en films bekend waren en is zijn verhaal bijzonder lastig te volgen voor wie niet bekend is met de besproken teksten. Beknopte, heldere inleidingen tot de auteurs verschijnen vaak pas tegen het einde van de hoofdstukken. Ook neigt Cavell soms naar scholastiek. In het hoofdstuk over Nietzsche wijdt hij pagina's lang uit over de tekstuele verwantschap met Emerson. Waarom krijgen zulke uitstapjes zo'n prominente plaats in een werk waarin het bereiken van autonomie – een eigen stem – centraal staat? In het licht van Cavells poging Emerson in de filosofische canon te laten opnemen is een dergelijke exegese begrijpelijk. Maar door zo dicht op de tekst te zitten blijft het bijzonder lastig om de ideëen van de besproken auteurs vast te houden.

Alle obstakels ten spijt weet Cavell de lezer toch opmerkelijk goed voor filosofie te enthousiasmeren. Niet het minst doordat hij vaak memoreert aan zijn intellectuele bekeringsmomenten die je nieuwsgierig maken of de door Cavell bewonderde filosofen ook in het eigen leven effect zullen hebben. Zonder `het gevoel van bevrijding' dat hij ondervond na het lezen van Wittgenstein en Austin (de twee auteurs die een grote plek in zijn oeuvre zouden krijgen), schrijft Cavell dat hij de academische filosofie wellicht de rug had toegekeerd: `Dit gevoel dat het mogelijk is om filosofisch en open te spreken over alles en wat er dan ook met je gebeurt is een ideaal van denken dat voor mij in de hedendaagse professionele filosofie het eerst mogelijk leek in het werk van de late Wittgenstein en J.L. Austin.'

Compromissen

Wel valt door die aandacht voor autobiografische ervaringen op dat Cavell nauwelijks verwijst naar concrete politieke gebeurtenissen. Volgens Cavell moet de filosoof tegen de geschiedenis in denken en de noodzakelijke compromissen in tijd en plaats de maat nemen. Cavell ontkent niet dat die geschiedenis in grote mate bepaalt in hoeverre de filosofische stem gehoord mag worden. Zo acht hij het – door de Vietnam-oorlog en de beweging voor burgerrechten – aanzienlijk toegenomen politieke bewustzijn onder Amerikaanse studenten een belangrijke verklaring voor het grote succes van John Rawls' A Theory of Justice (1971). Maar is de Amerikaanse samenleving in 2004 nog steeds `hongerig naar beredeneerde, principiële kritiek'? Over de vraag of en hoe 11 september en de oorlog in Irak de intellectuele wordingsgeschiedenis van de huidige generatie intellectuelen en hun ontvangst bij het grotere publiek beïnvloedt, zegt Cavell helemaal niets.

Uiteindelijk zal het temperament van de lezer bij de waardering van Cities of Words de doorslag geven. Dankzij de duizelingwekkende aaneenschakeling van autobiografische uitstapjes, precieze analyses en eindeloze associaties weet Cavell als geen ander duidelijk te maken hoe het filosofische denken voelt. Wie slechte herinneringen heeft aan docenten die al maar afdwaalden en eindeloos hun eigen stokpaardjes te berde brachten heeft aan Cities of Words geen goede keus. Maar wie zich graag laat inspireren door een denker voor wie filosofie een eerste levensbehoefte is, zal zeker door dit boek geprikkeld worden. In elk geval biedt Cavell een welkome filosofische legitimatie om die oude Hollywood-klassiekers weer eens te bekijken.

Stanley Cavell: Cities of Words. Pedagogical Letters on a Register of the Moral Life. Harvard University Press, 458 blz. €33,90