De universiteit van Rutte

Stel, je bent staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen. Je laat je informeren over de toestand aan de Nederlandse universiteiten. Je ambtenaren leggen je uit dat Nederlandse universiteiten allemaal ongeveer gelijk presteren. De ene universiteit is wat beter in bèta-studies, de andere heeft taal- en cultuuropleidingen die goed staan aangeschreven en weer een ander heeft een excellente rechtenfaculteit. Visitatiecommissies, bestaande uit deskundigen en student-leden, bezoeken de verschillende faculteiten regelmatig en het overgrote merendeel van de opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs wordt in zo'n visitatieronde als `goed' of `voldoende' beoordeeld. Je ambtenaren laten je een staafdiagram zien waaruit je kunt afleiden hoe studenten denken over hun onderwijs. Zij blijken over de hele linie behoorlijk tevreden.

Natuurlijk geven zij hun studie en hun docenten geen tienen. Zij worden opgeleid tot kritische academici en zij zien dus steevast keerzijden of minpunten aan colleges, hoogleraren of didactische methodes. Zij beoordelen hun onderwijs echter gemiddeld wel met ruime zevens. Uitschieters naar beneden zijn alleen de cijfers voor facilitaire voorzieningen. Mediatheken, computers en collegezalen laten te wensen over.

Hoe kiezen studenten dan tussen universiteiten, informeer je nieuwsgierig. Daarover hebben je ambtenaren gepraat met universitair personeel. Aangezien de kwaliteit van de verschillende opleidingen niet erg verschilt, kiezen studenten vaak voor een universiteit in de buurt van hun ouderlijk huis, zo is hun uitgelegd. Of ze kiezen voor een studentenstad met een bepaalde sfeer. Voor Leiden, omdat die stad overzichtelijk is en omdat hun moeder daar ook al studeerde. Voor Amsterdam, vanwege het grootstedelijke karakter. Voor Twente, omdat het hun gezellig lijkt op een campus te wonen en daar te kunnen sporten na de colleges. Ze laten zich daarnaast een beetje leiden door voorlichtingsdagen en studiegidsen. De ene opleiding biedt net iets meer mogelijkheden voor stages en keuzevakken dan de andere. Enkele studenten hebben als ze achttien zijn al een heel bepaalde voorkeur voor delen van de studie, die in de ene opleiding meer aandacht krijgen dan in de andere. Je ambtenaren hebben begrepen dat universiteiten en opleidingen zich niet opstellen als elkaars concurrenten. Als universitaire medewerkers op een voorlichtingsdag spreken met een prille aanstaande student en zijn ouders, dan doen zij oprecht hun best om samen met die vwo-scholier te ontdekken of hun opleiding iets voor hem zou zijn. En dan kan het zomaar gebeuren dat zij zelf werkzaam bij een opleiding politicologie of bestuurskunde tegen zo'n jongen zeggen: als ik jou was, zou ik eens gaan kijken bij bedrijfseconomie, dat lijkt me veel geschikter voor jou.

Ze voelen zich professionals, verklaren je ambtenaren. Ze willen niet per se zo veel mogelijk geld verdienen door zoveel mogelijk studenten binnen te halen. Ze willen dat studenten op een geschikte plek terechtkomen. Ze kijken natuurlijk wel naar hun score op de lijstjes van visitatiecommissies en ze spellen de enquête over het hoger onderwijs in Elsevier, maar ze beschouwen personeel aan andere universiteiten niet als concurrenten. Academici elders zijn hun collega's.

Dat komt ook door het onderzoek, voegen je ambtenaren daaraan toe. Nederland is zo klein dat wetenschappers op een bepaald vakgebied heel vaak in landelijke gremia met elkaar samenwerken. Universitaire onderzoekers voeren samen met collega's aan andere universiteiten de redactie van wetenschappelijke tijdschriften. Zij schrijven samen artikelen. Zij komen elkaar tegen in beoordelingscommissies voor `tweede-geldstroom-projecten'. Zij zitten in begeleidingscommissies bij elkaars promovendi. Zij organiseren samen congressen. Zij bundelen hun krachten om samen buitenlandse beroemdheden te kunnen ontvangen. Ze zijn natuurlijk wel kritisch over elkaars werk, zo voegt je ambtenaar daar nog aan toe, ze zijn immers wetenschappers, dus ze vinden elkaar soms wetenschappelijke dwaallichtjes, maar dat gaat over het algemeen in redelijke harmonie, want het is niet zo dat ze er zelf financieel op achteruitgaan als ze andermans onderzoek of andermans opleiding gunstig beoordelen.

Wat denk je dan als staatssecretaris van Onderwijs- en Wetenschappen? Denk je: goh, dat gaat dus eigenlijk heel goed, ondanks alle wetswijzigingen die de universiteiten te verwerken hebben gekregen in de afgelopen jaren? Nieuwe bestuursstructuur, bachelor-master-systeem, verschuiving van gelden naar de tweede geldstroom, maar ze leven nog steeds en ze gedragen zich nog steeds als fatsoenlijke wetenschappers? Mooi zo en houden zo?

Of denk je: dit kan zo niet langer. Ik moet die academische neiging tot samenwerking kapotmaken, liever vandaag dan morgen. Weet je wat, ik ga studenten stimuleren om per jaar opnieuw te beslissen waar ze gaan studeren en ik ga de financiering van universiteiten afhankelijk maken van het aantal studenten dat ze weten vast te houden. Dat zal ze leren. Ik ga een moordende concurrentie afroepen over de universiteiten, zodat aanstaande studenten zeker weten dat ze nergens meer eerlijke voorlichting krijgen en ze in plaats daarvan overal getrakteerd zullen worden op fijne verkooppraatjes.

Ik moet bekennen dat ik Rutte in staat achtte tot de eerste reactie. Maar ik heb me vergist. Blijkbaar moet elke fatsoenlijke publieke organisatie worden omgevormd tot een crypto-Albert Heijn, verwikkeld in een prijzenoorlog op een geensceneerde markt. De universiteit moet daar dus ook aan geloven.