De kunst van het recht

`Zoals wij eens leden onder het kwaad, lijden wij nu onder de wetten', klaagde Tacitus in de Romeinse keizertijd. En het klassieke Rome geldt nog wel als de bakermat van de Europese rechtstraditie. In het oude China zei men al: `wanneer een staat op het punt staat in te storten vermenigvuldigt de regelgeving zich' (Chou-Hiang, 506 v Chr). Het zijn twee historische observaties die menige Nederlandse burger aan het begin van het derde millennium kan herkennen. Haast iedere werkdag treedt een nieuwe wet in werking, gemiddeld 280 per jaar, merkte de Vaste commissie voor justitie van de Eerste Kamer tweeënhalf jaar geleden op. De senatoren noteerden nog zestien andere zwarigheden zoals `wetgevingsversnippering', `afschuiven van verantwoordelijkheden' en `daadkracht zonder draagvlak'.

Om tegen deze achtergrond te spreken van wetgeving als een `fascinatie', zoals het Centrum voor wetgevingsvraagstukken van de Universiteit van Tilburg doet in de titel van een recente bundel, lijkt een ernstige vorm van vakverdwazing. Toch is het een aanstekelijk bundeltje geworden. Dat ligt vooral aan het afzien van `een dwingende indeling', zoals prof. Witteveen (tevens lid van de Eerste Kamer) ontwapenend opmerkt in zijn inleiding. De bundel moet het vooral hebben van `associatieve verbanden'. Deze zijn in het moderne systeemdenken niet populair, maar helpen eraan te herinneren dat goed recht reeds voor de Romeinen een vorm van kunst was, de kunst van het goede en billijke (`ars aequi et boni').

De Tilburgse bundel bevat een onderhoudende bloemlezing van korte observaties, over onderwerpen zo verscheiden als de algemeen verbindend verklaring van CAO's, `interdisciplinariteit als inspiratie' en botsing van belangen op internet. De Vrede van Munster, die de staatssoevereiniteit als hoeksteen van het moderne rechtssysteem opleverde, ontsnapt niet aan een ontmythologiserende beschouwing.

Een rode draad is er niet uit te halen, maar de algemene toon is er een van relativering. Dat begint al met het uit het leven gegrepen voorbeeld van de nieuwe tabakswetgeving als inleiding. Plotseling worden treinen rookvrij en zelfs de perrons: daar verschijnen `rookpalen'. De NS lijkt zelfs strenger in de leer dan de wet en verbiedt roken op niet-overdekte perrons. Maar er is ook een `contrapunt': moet bewoners van verpleeghuizen en psychiatrische inrichtingen ook werkelijk hun rokertje worden ontzegd? En over hard gesproken: is de wet niet te streng voor de horeca? Hier komen naast de culturele ook economische belangen in zicht.

Als `geoefende waarnemer' ziet Witteveen `hoe de ene na de andere concessie het regime van de Tabakswet afzwakt nog voordat de wet veel effect kan hebben gehad'. Het logisch vervolg in de vorm van een debat over wetshandhaving en gedoogcultuur dient zich aan. Zeker de geoefende waarnemer ziet `het moeras van de discussie over normen en waarden' opdoemen. Iets minder opvallend maar niet minder belangrijk doet `het recht van de praktijk' zich gelden.

`Wetten veranderen de samenleving namelijk niet zomaar', concludeert inleider Witteveen. Deze relativering is waar, maar ook wel gemakkelijk voor een centrum voor wetgevingsvraagstukken. Zouden er werkelijk geen principiële ijkpunten bestaan? De rechten van de mens bijvoorbeeld. Deze komen in deze fascinerend relativerende bundel opmerkelijk weinig voor.

Willem Witteveen en Jonathan Verschuuren (red.): De Fascinatie. Wat wetgevingsonderzoekers bezighoudt. Boom Juridische Uitgevers, 157 blz, €19,–