Crossing Border begint met film

Het Crossing Border festival opende gisteravond met een drummende zangeres en een dichter met showballet.

Op de openingsavond van Crossing Border deed de Britse Scout Niblett gisteren haar gitaar af en ging verder vanachter het drumstel. Die overgang was niet eens bruusk, omdat ze ook haar stem en gitaar ritmisch inzet. Niblett, een innemende podiumpersoonlijkheid, springt in haar liedjes van van sfeervol kabbelend naar woest en hard.

De donderdag van Crossing Border, die functioneert als aanloop naar het festival vandaag en morgen, kende ondanks de slechts vijf acts in één zaal, een volwaardig programma. Dat begon met de première van de Grote Poetry in Motion Show met Mark Boog. De gedichten van Boog worden op een internetsite al sinds 1999 voorzien van animaties. Die beelden werd geprojecteerd en gecombineerd met een rockorkestje, spreekstalmeester en showballet. De zwartromantische poëzie kent voldoende stevige regels om de aandacht vast te houden: ,,Mijn handen op weg naar jou/ (...) Zodat naar het waarom de laatste klauwen uitgeslagen worden.'' Maar de show oogde nog wat pril, ook door de stijlverschillen in de presentatie.

Korte proza-optredens waren er van twee jonge schrijfsters. Helen Walsh shockeerde niet met haar scène over een vrouw die met een hoertje op een grafzerk vrijt. De zwellende tepels en kittelaars voegden weinig toe aan de conventionele gedachten van haar hoofdpersonage. Anne Verbeke, in felrood gekleed, pakte het publiek vanaf haar eerste woorden in. ,,Ik ben vandaag gerestyled door een damesblad. Geniet er maar van.''

Het zwaartepunt van de avond lag bij de vertoning van een klassieker uit de tijd van de stomme film, Sunrising van W.F. Murnau uit 1927, begeleid door de verknipte countryband Lambchop. Sunrise is een geweldig geacteerd en gefilmd melodrama, dat je pakt met kleine grapjes en grote emoties. Het verhaal is simpel. Een boer wordt verleid door een stadse schoonheid om zijn boerinnetje om te brengen bij een vaartochtje. Murnau laat beelden in elkaar overvloeien, experimenteert met een rijdende camera en suggereert dat de stad een heksenketel is. Minstens zo knap is de ingetogen mimiek en gestiek van hoofdrolspelers George O'Brien en Janet Gaynor. Dat houdt de afstand met een moderne film klein.

Aanvankelijk leek Lambchop te veel voor zichzelf te spelen, hard en met afleidende zang. Later voegde het achtkoppig ensemble zich meer naar de sfeer en kleur van de film: dreigend, fluisterend en kakafonisch. Dienend en eigenzinnig tegelijk. Elke stomme film wenst zich zo'n extra dimensie toe.