Alles is mooi en prachtig

Er zijn in de jaren 1920-1940 niet veel literaire tijdschriften in Nederland geweest die een nauwe relatie aangingen met beeldende kunstenaars en in hun uiterlijk een poging waagden hun ideeën over literatuur en kunst zichtbaar te maken. Het aanvankelijk modernistische tijdschrift De Gemeenschap (1925-1941) springt er wat dat betreft uit.

Het tijdschrift voerde aanvankelijk de strijdvaardige ondertitel `Maandschrift voor Katholieke Reconstructie'. Of alle medewerkers over een dergelijke `reconstructie' diepe gedachten hadden, is de vraag. De Gemeenschap keerde zich tegen de gezapige traditie en de kerkelijke autoriteiten die deze traditie krampachtig in stand probeerden te houden. Voor een generatie jonge katholieke kunstenaars was de moderne kunst hét middel om oude cultuurpatronen open te breken.

Aan De Gemeenschap werd ook al snel een uitgeverij verbonden. Als iemand verantwoordelijk is geweest voor het modernistische uiterlijk van tijdschrift en uitgeverij, is het de schrijver Albert Kuyle geweest. Grotendeels dankzij hem kregen de afleveringen van het tijdschrift en de boekpublicaties de vaak opmerkelijke, moderne vormgeving, die ze onderscheidden van veel ander contemporain drukwerk. Tot de gezichtbepalende auteurs van het fonds behoorden (niet-katholieke) schrijvers als F. Bordewijk en H. Marsman.

Over de kunstenaars en vormgevers die meewerkten aan De Gemeenschap – zoals Hendrik Wiegersma, Jozef Cantré, Otto van Rees en de drukker A.M. Oosterbaan – is nu een eerste, omvangrijk boek verschenen. Het is een enthousiast boek, dat de lezer warm probeert te laten lopen voor het uiterlijk van tijdschrift en uitgeverij. Alleen al door de vele illustraties is die poging geslaagd.

Dat ongebreidelde enthousiasme heeft het nadeel dat het een systematische kijk op de materie in de weg staat. Het inleidende hoofdstuk biedt een ondoorzichtige brij van vaak half-begrepen gegevens die de context van De Gemeenschap niet of nauwelijks verduidelijken. Zelden lees je een boek waarin zo vaak sprake is van de adjectieven `prachtig' of `mooi'. Je bent het graag met de schrijver eens, maar je zou toch graag willen lezen waarom iets nu mooi of prachtig is, hoe al dat moois zich verhoudt tot wat elders bij vormgeving en illustratie gebruikelijk was, bij voorbeeld binnen het dadaïsme, futurisme of bij het Bauhaus. Of wat de vormgeving van het tijdschrift onderscheidt van die van de boekuitgaven. En vooral zou je willen weten hoe het illustratieve aspect in De Gemeenschap zich verhield tot die `katholieke reconstructie' waarmee het tijdschrift zich zei bezig te houden. De aanzienlijke aandacht die het tijdschrift aan beeldende kunst besteedde, liep allerminst parallel aan de opvattingen over literatuur. En hoe zou het toch komen dat gaandeweg de jaren dertig de belangstelling voor beeldende kunst in het tijdschrift merkbaar terugliep en, voorzover nog aanwezig, zich vooral richtte op religieuze beeldende kunst?

De waarde van het boek is dan ook niet gelegen in de mislukte schets van het literair- en kunsthistorische kader van De Gemeenschap, maar in de zeldzaam complete fondslijst van uitgeverij De Gemeenschap én in de uitgebreide portrettengalerij van de meest opmerkelijke medewerkers.

Lex van de Haterd: Om hart en vurigheid. Over schrijvers en kunstenaars van tijdschrift en uitgeverij De Gemeenschap 1925-1941. In de Knipscheer, 352 blz. €24,50

In museum De Wieger (Deurne) is tot en met 28 november een tentoonstelling over De Gemeenschap te zien.