Wraak op een elite

Iedereen heeft zijn vooroordelen. Ook de schrijver van deze rubriek, die zich vleit met de gedachte dat zijn analyses nuchter, zo niet koel, zijn, is er niet vrij van. Zo is het kapsel van Geert Wilders hem een beletsel die man ernstig te nemen. Daarom alleen al betreurt hij het dat Bart Jan Spruijt, directeur van de conservatieve denktank Edmund Burke Stichting, een bondgenootschap met hem is aangegaan (gelukkig heb ik ook andere, serieuzere bezwaren daartegen).

Berustte de voorkeur die ik aan de vooravond van de Amerikaanse presidentsverkiezingen voor John Kerry heb uitgesproken, ook op een dit keer gunstig vooroordeel? Dat heb ik mij na de uitslag, die een klinkende overwinning voor president Bush te zien gaf, afgevraagd. En de conclusie van dit zelfonderzoek was: ja althans gedeeltelijk.

Natuurlijk: er waren ook serieuzere misschien moet ik zeggen: objectievere overwegingen in het spel, overwegingen die niet zozeer voor Kerry pleitten alswel tegen Bush. Deze was per slot van rekening een oorlog begonnen op gronden die achteraf vals bleken te zijn. Dat hijzelf in die leugens geloofde wil ik aannemen, maar is geen reden voor excuus.

Maar erger dan het ontketenen van die oorlog was het dat hij zich helemaal niet voorbereid had op de nasleep ervan. Daardoor heeft hij Amerika in een moeras doen belanden waaruit het zich niet lijkt te kunnen bevrijden en nóg erger Irak tot een kweekschool voor internationaal terrorisme heeft gemaakt, wat het, ondanks een van Bush' `leugens', onder Saddam Hussein helemaal niet was.

Voor deze rampzalige politiek, voor dit blijk van onbekwaamheid, voor deze roekeloosheid, waarvan de martelingen van Abu Ghraib slechts één teken waren, moest hij, vond ik, de prijs betalen. Maar meer dan 50 procent van de Amerikaanse kiezers dacht daar, ondanks hun zorgen over de economie, anders over. Bush is uit de krachtmeting van 2 november sterker tevoorschijn gekomen dan hij erin was gegaan.

Tot zover de zakelijke kant van mijn voorkeur voor Kerry, die, zoals gezegd, weinig te maken had met 's mans kwaliteiten. Eerlijk gezegd, vreesde ik dat zijn presidentschap weleens zou kunnen uitdraaien op een replica van dat van Jimmy Carter (1977-1981), een man vol goede bedoelingen, maar een zwakke president. (Carters beate grijns ergerde me ook daar heb je weer zo'n vooroordeel.)

Maar wat me voor Kerry innam, was dat hij een telg was van die elite, veelal stammend uit het noordoosten van de VS meer in 't bijzonder Massachusetts (ook Kerry's staat) die grotendeels verantwoordelijk is geweest voor het buitenlandse beleid onder de presidenten Roosevelt, Truman, Eisenhower en Kennedy. Marshallplan en NAVO waren producten van het denken en ijveren van die elite.

Die elite bestond niet uitsluitend uit Democraten. Vooral Roosevelt en Truman maakten ook gebruik van de hulp en raad van verlichte Republikeinen. Ook mag zij niet gelijkgesteld worden met de zogenaamde WASP (White Anglo-Saxon Protestants). Kennedy en Kerry waren rooms-katholiek (Kerry's grootvader was zelfs joods). En ten slotte: Truman en Eisenhower kwamen niet uit het noordoosten.

Maar de invloed van die elite is de eerste decennia na de oorlog zeer groot geweest. Het zijn die decennia die ikzelf bewust heb meegemaakt en waarin met alle afstandelijkheid die een analyticus past mijn waardering voor het werk van die elite is ontstaan en gegroeid. Het feit dat zij sterk op Europa georiënteerd was, hielp natuurlijk. Een Chinees of Japanner zou er waarschijnlijk anders over gedacht hebben.

Daarbij komt dat ik in de jaren 1949-1953 zelf in Amerika heb gewerkt. In New York, in sommige opzichten de minst Amerikaanse stad van Amerika (het is mij dan ook onbegrijpelijk dat een serieuze krant haar Amerikaanse correspondent daar vestigt). Hoewel ik toen en later zowat het hele land heb bereisd, was het nabijgelegen New England (waar Massachusetts deel van uitmaakt) mijn favoriete reisbestemming. Ik voelde mij daar meer thuis dan elders. Zo kwam het dat ik in John Kerry een vertrouwde figuur zag. Dat verklaart gedeeltelijk mijn sympathie voor hem. Die sympathie, dit vooroordeel, heeft, naar ik hoop, mijn inzicht niet gekleurd. In mijn laatste artikel vóór de verkiezingen sprak ik de verwachting uit dat Bush zou winnen. Waarom? Omdat ik wist dat de reden waarom ik John Kerry sympathiek vond en zelfs de voorkeur aan hem gaf, precies dezelfde was als waarom hij elders in het land (behalve Californië) afgewezen werd. Daar wordt de noordoostelijke elite namelijk gewantrouwd, dubbel gewantrouwd wanneer haar het etiket `liberal' opgeplakt kan worden, want `liberal' staat voor `soft'.

Bevat John Kerry's nederlaag een les voor ons? Zij luidt het definitieve einde van de invloed van het `liberal' noordoosten in Amerika in (niet gauw zullen de Democraten opnieuw iemand uit die streek tot presidentskandidaat benoemen). Er is een parallel met Nederland: ook hier lijkt het tijdperk van softness, van gedoogcultuur onder het pseudoniem (letterlijk: valse naam) van tolerantie aan de wereld verkocht op zijn eind te lopen, zeker na de moord op Theo van Gogh. Hoe zich dit electoraal zal manifesteren is nog duister.

Andere parallel: Amsterdam en omgeving (vooral Hilversum) hebben min of meer de rol gespeeld die de oost- en westkust in Amerika speelden: lange tijd toonaangevend, maar toch gewantrouwd in de rest van het land, die zich door GrootAmsterdam met de nek aangezien voelt. Ook hier loert de wraak op een in dit geval: zelfbenoemde elite om de hoek.