Terrorist, Nobelprijswinnaar en ten slotte afgeschreven

De laatste jaren van zijn turbulente, controversiële leven bracht Yasser Arafat door in politieke quarantaine in de met autowrakken gebarricadeerde ruïnes van het Palestijnse regeringskwartier in Ramallah, de Muqata. Een surrealistische, theatrale locatie waar Abu Ammar, de Vader van de Bouwer, zoals hij in eigen kring respectvol werd genoemd, zijn rol als lijdende leider van een miskend, vernederd volk met overgave speelde.

De Israëlische dreigementen met uitzetting en soms zelfs met liquidatie gaven het drama in de Muqata natuurlijk een lading die Arafat zelf niet had kunnen regisseren, maar hij maakte er wel gretig gebruik van. Hij zei ervan te dromen om daar tussen de puinhopen te sterven als een shahid, een martelaar. Maar het werd een bed in een Parijs' hospitaal.

Met de opsluiting in de Muqata, omringd door de manschappen van Eenheid 17, kon hij leven, maar het geleidelijk aan doorgedrongen besef dat hij niet langer relevant werd bevonden, stoorde hem bovenmatig. ,,Hij voelt zich vooral vernederd, buitengesloten en machteloos'', vertelde minister van Buitenlandse Zaken en vertrouweling, Nabil Sha'ath, een paar maanden geleden in Gaza-stad.

Sinds het mislukken van de allerlaatste poging van president Clinton en diens Midden-Oostengezant Dennis Ross om in januari 2001 Arafat een allesomvattend vredesverdrag met de Israëlische premier Ehud Barak te laten sluiten, was en voelde de Palestijnse president zich afgeschreven. In diezelfde maand betrad de Republikein George Bush jr. het Witte Huis en won in Israël de krijgsheer/politicus Ariel Sharon de verkiezingen. Van de nieuwe Bush, die zich na de mislukte inspanningen van zijn voorganger niet aan het Midden-Oosten wilde branden, noch van de generaal die hem menigmaal had getracht te liquideren, had Arafat iets te verwachten.

Natuurlijk speelde in dat laatste onderhoud in het Oval Office zijn eigen onvermogen om een historisch compromis met de Israëliërs te sluiten hem parten. Hij moest concessies doen op wat hij als de dominante, centrale punten in de Palestijns-Israëlische strijd beschouwde: de zeggenschap over een deel van Jeruzalem met de Haram al-Sharif (Tempelberg) en het recht op terugkeer van de duizenden vluchtelingen in de kampen op de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook, Libanon, Syrië en Jordanië naar Haifa, Jaffa, Lid, Ramle en Jeruzalem. Hij kreeg een positief antwoord op de dwingende vraag van Clinton niet uit zijn mond.

Politiek gesproken was Arafat dus al geruime tijd voor het einde van zijn aardse bestaan naar de zijlijn van de Midden-Oostenpolitiek verdreven en aangezien hij inmiddels met de meeste Arabische leiders in grote onmin leefde, konden er met hun hulp geen diplomatieke Houdini-trucs uitgehaald worden om weer terug te keren naar het podium en de schijnwerpers. Hooguit kwam er zo nu en dan nog een minister van de Europese Unie voor de vorm langs, liefst als een dief in de nacht om de Israëliërs en de Amerikanen niet te ontrieven. De Fransen, nooit te beroerd om een eigenzinnig politiek punt te scoren, daargelaten. Dat Arafat in Parijs medische hulp zocht, was niet toevallig. President Chirac handelde in de geest van president De Gaulle, die in 1968 als eerste westers staatshoofd toestond dat Al-Fatah, de beweging van Arafat, een missie in de Franse hoofdstad opende.

Clownesk, niet-serieus, gehaat, corrupt, betwist, sluw, mediabelust, machtsbelust, gewelddadig, warm, vriendelijk, charmant, populair, onvervangbaar, belangeloos: geen bijvoeglijk naamwoord of het is wel eens op Arafat van toepassing verklaard. Of hij terrorist, bendeleider, guerrillaleider van een vrijheidsbeweging of de grondlegger van de Palestijnse staat in wording en vredespartner van Israël was, is jarenlang onderwerp van een emotionele, allerminst semantische discussie geweest. Met zijn dood zal dat debat niet eindigen.

Wat niet betwist wordt, is het feit dat hij als leider van Al-Fatah (de mede door hem in 1957 in Koeweit opgerichte guerrillaorganisatie), als voorzitter van de overkoepelende Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (hij werd verkozen in 1969) en als president van de Palestijnse Autoriteit (1996) erin geslaagd is de Palestijnse kwestie hoog op de internationale politieke agenda te plaatsen en daar te houden. Zelfs zijn scherpste Israëlische critici erkennen deze verdienste.

Wat na de Israëlisch-Arabische oorlog van 1948 nog beschouwd kon worden als een tragisch, maar onvermijdelijk vluchtelingenvraagstuk is door Arafat verheven tot een zaak die Amerikaanse en Europese regeringsleiders tot gekmakens toe heeft beziggehouden en nog steeds bezighoudt. De Palestijnse zaak is een volkenrechtelijke test geworden, een splijtzwam in de internationale politiek en een toetssteen voor het Midden-Oostenbeleid van de Verenigde Staten en de Europese Unie. En wie verklaringen zoekt voor oud en nieuw terrorisme, voor de groei van moslimextremistische bewegingen, komt onvermijdelijk te spreken over het erkende Palestijnse recht op zelfbeschikking en een eigen staat.

Uiteraard was Arafat daar niet alleen verantwoordelijk voor. Het feit dat deze strijd wordt gevoerd sinds de komst van de eerste Europese joden in het Britse mandaatgebied waar in 1948 de staat Israël ontstond als product van de holocaust draagt tot op de dag van vandaag bij aan de heftigheid van de emoties en gedragingen van christelijke politici, zoals George W. Bush, voor wie het gebied niet alleen geopolitieke, maar ook religieuze betekenis heeft.

Voor alle Palestijnen, ook voor zijn tegenstanders, was en zal Arafat het symbool blijven van de Palestijnse strijd om een land, een plek in het door toenmalige Europese grootmachten opgedeelde Palestina. Hij was de enige werkelijke leider die de Palestijnen na de verdrijving uit hun dorpen en steden in 1948 en de bezetting sinds 1967 hebben gehad. Hij was de incarnatie van het Palestijnse, seculiere nationalisme.

In geen Palestijns huis ontbreekt een portret van Arafat, gekleed in zijn olijfgroene uniform met een zwart-witte keffiyah gedrapeerd in de vorm van Groot-Palestina. Meestal had hij dan ook La Croix de Lorraine om, het symbool van het Franse verzet in de Tweede Wereldoorlog en geschenk van De Gaulle.

Bij leven al een mythe, de president met een verspreid volk, maar zonder een homogeen land. Hij beschikte in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw over een leger, over gewapende organisaties, beheerde een onderwijs- en bijstandssysteem en kon beschikken over grote fondsen die steeds opnieuw werden aangevuld door Saoedi-Arabië, de Golfstaten en puissant rijke Palestijnse ondernemers in de diaspora. Hij overleefde een zwaar auto-ongeluk, een vliegtuigongeluk, alle bloedige intriges in de Palestijnse politiek, de afsplitsingen en de pogingen van Israël om hem uit te schakelen. Medestanders sneuvelden in de gevechten met het Israëlische leger, in Arabische broedertwisten of werden door de Mossad geliquideerd, Arafat overleefde het allemaal.

Zijn leven, dat in augustus 1929 begon in Kairo (en niet zoals de mythe wil in Jeruzalem), was gewijd aan de Palestijnse zaak. Van jongs af aan was Abdel-Rahman Abdel Raouf Arafat al-Qudwa al-Husseini, die van een onderwijzer de voornaam Yasser kreeg, zoals hij zei, met ,,alle Palestijnse vrouwen getrouwd''. Hij rookte noch dronk, at vegetarisch, bleef tot hoge leeftijd ongetrouwd, vermaakte zich met tafeltennis en tv-kijken, las weinig boeken en wijdde zich volledig aan politieke organisatie en de Palestijnse strijd. Eerst als Palestijnse studentenleider in de Egyptische hoofdstad, waar hij bouwkunde studeerde, daarna als vechter in de oorlog van 1948 in de organisatie van de mufti van Jeruzalem en naderhand in achtereenvolgens Jordanië, Libanon en Tunesië.

Het punt is dat hij alle rollen die hem worden toegedicht – terrorist, guerrillaleider en vredespartner – op enig moment in zijn leven heeft gespeeld. Het is zeer wel mogelijk hem af te schilderen als een terrorist die medeverantwoordelijk was of werd gehouden voor de vliegtuigkapingen in de jaren zestig en zeventig en, hoewel zijn directe betrokkenheid nooit bewezen is, bij de moord op Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen in 1972 in München. En hij was als leider van Al-Fatah en later als voorzitter van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) een guerrillastrijder die het zionisme beschouwde als ,,de belichaming van een nieuwe vorm van neonazisme, intellectueel terrorisme en raciale uitbuiting''.

Vanuit Jordanië, waarheen hij na de Zesdaagse Oorlog van 1967 uit Jeruzalem was gevlucht, bestreed hij met alle beschikbare middelen Israël. Hij onderscheidde zich in 1968 tijdens de veldslag bij het Jordaanse Karameh, waar een groep van enkele honderden Palestijnse commando's standhield tegen een Israëlische overmacht. Jordanië moest hij samen met duizenden PLO-strijders in 1971 ontvluchten nadat koning Hussein de Palestijnse guerrilla-eenheden op bloedige wijze uit zijn land had verdreven. De Palestijnse fedayeen hadden de Jordaanse premier vermoord en vervolgens gepoogd het Hashemitische koningshuis te onttronen, een strategische fout die Arafat nooit heeft willen toegeven.

Het zou niet de eerste grootschalige gewapende confrontatie met Arabische broeders zijn. Na de verdrijving uit Amman werd vanuit de Libanese hoofdstad Beiroet de strijd tegen Israël voortgezet. Maar ook daar raakten Arafat en de omvangrijke PLO verstrikt in interne machinaties, botsingen tussen moslims en christenen, spanningen tussen Libanon en Syrië. Uiteindelijk koos Arafat partij voor de Libanese Nationale Beweging onder leiding van de linkse druzenleider Jumblatt in de Libanese burgeroorlog. Arafat en het PLO-leger van 15.000 man zouden in 1982 door het Israëlische leger uit Libanon worden verdreven. Het verre Tunesië verleende hem en zijn inner circle gastvrijheid.

Toen had hij zichzelf en de PLO al midden in de politiek van het Midden-Oosten gepositioneerd en werden hij en zijn organisatie erkend als de vertegenwoordigers van het Palestijnse volk. In die rol sprak hij op 13 november 1974 voor het eerste de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties toe, waar hij met zijn keffiyah en zijn nauwelijks verhulde revolver voor spektakel zorgde. Hij sprak over de olijftak van de vrede en het wapen van de vrijheidsstrijder. Maar het zou nog tot 1988 duren voordat Arafat en de PLO de gewapende strijd formeel afzwoeren en bereid waren de joodse staat Israël te erkennen.

Ongrijpbaarheid heeft het optreden van Arafat altijd gekenmerkt. Dat had deels te maken maken met zijn ideologische wendbaarheid. Hij leek niet geïnteresseerd in politieke theorieën, hij las weinig en was uitsluitend geïnteresseerd in de opbouw en organisatie van de Palestijnse verzetsbeweging en zijn eigen, prominente rol daarin. Hij gaf ruiterlijk toe een politieke kameleon te zijn. Hij had weinig op met pan-Arabische ideeën, hij was een Palestijnse nationalist. ,,Wat is de betekenis van links of van rechts in de strijd voor de bevrijding van mijn moederland. Ik wil mijn moederland terug, zelfs als de duivel bereid is mij te helpen'', zei hij in januari 1969 tegen de Libanese krant Al-Sayyad.

Dat opportunisme leidde niet alleen tot heftige, soms gewelddadige interne discussies en al even bloedige intriges. Een van de grootste fouten die hij heeft gemaakt, was zijn openlijke steunverklaring aan de Iraakse leider Saddam Hussein na diens inval in Koeweit. Saddam Hussein was pro-Palestijns en anti-Israëlisch tot in het diepst van zijn vezels, zo eenvoudig lag dat bij Arafat, die tot zijn leedwezen zag dat eerst Egypte en later Jordanië vredesverdragen sloten met Israël.

Voor zijn besluit om Saddam Hussein te steunen betaalde hij een hoge prijs. Niet alleen werd hij in de Palestijnse beweging zelf scherp gekritiseerd. De geldkranen in Saoedi-Arabië en de Golfstaten werden voorgoed dichtgedraaid, en de PLO, eens mateloos rijk, moest bezuinigen. Overigens niet dan nadat Arafat over de jaren heen zelf een vermogen had opgebouwd, waarvan de schattingen oplopen tot 300 miljoen dollar. Vanaf de dagen dat hij als jonge ingenieur in Koeweit een eigen constructiebedrijf opzette, zijn Arafats financiën aan het zicht ontrokken geweest omdat de scheidslijnen tussen Al-Fatah, de PLO en later de Palestijnse Autoriteit op het hoogste niveau niet scherp getrokken kunnen worden.

Zijn reputatie als politieke overlevingskunstenaar vestigde hij door na de eerste Golfoorlog toch weer bij de Verenigde Staten in de gratie te komen. Dat gebeurde toen hij tijdens de Conferentie van Madrid de gedaante aannam van vredespartner. Hij had uiteindelijk het idee van een Palestijnse staat op een fractie van het grondgebied van Groot-Palestina geaccepteerd. Zoals de Israëliërs er lang over hebben gedaan om de Palestijnen, de PLO en Arafat te accepteren als blijvende fenomenen.

De afzwering van de gewapende strijd en de erkenning van Israël werd in 1992 gevolgd door geheime besprekingen met Israëlische vertegenwoordigers in Oslo. Israël had zich over het diepe emotionele verzet tegen contacten met Arafat heen gezet vanuit de gedachte dat een Israëlisch-Palestijnse vrede zou leiden tot een einde aan de eerste intifada (1987-1992). Het vervolg ligt nog vers in het geheugen: de geheime besprekingen leidden tot de ceremoniële ondertekening van de Oslo-verklaring van principes en het vredesverdrag tussen de PLO en Israël. Een overeenkomst die werd bezegeld met een enigszins geforceerde, maar toch beroemde handdruk van Arafat en toenmalig premier Rabin. Als gevolg van de Oslo-overeenkomsten mocht Arafat voor het eerst sinds 1967 weer terug naar Palestina, naar de Gazastrook. Hij ontving samen met Rabin en Peres de Nobelprijs voor de Vrede.

Zijn omgeving vond dat de president een vrouw nodig had, dus trouwde hij met de christelijke Palestijnse Suha Taweel en zij kregen een dochter, Zahwa. Maar de transformatie van guerrillaleider tot gouvernementeel ingestelde bestuurder heeft Arafat nooit doorgemaakt. Hij wilde of kon het verzet van Hamas en sommige groeperingen in de PLO en Al-Fatah tegen de ,,zionistische entiteit'' (Israël) niet beteugelen. In het Engels placht hij de gewapende strijd af te zweren, om in het Arabisch opzwepende redes te houden. Hij talmde, hij aarzelde, hij beloofde, maar hij deed niets om de tweede intifada, die begon na het bezoek van Sharon aan de heilige Haram al-Sharif, te beteugelen.

Dat verzet, vooral in de Gazastrook en Nablus, werd mede gevoed door de Israëlische onwil de bouw van nederzettingen in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever te beteugelen. Arafat was niet bereid het opperbevel over de talrijke Palestijnse veiligheids- en politiediensten (in feite gewapende clans) over te dragen aan ministers. Hij was mentaal niet meer in staat afscheid te nemen van zijn rol als guerrillaleider.

De moord op premier Rabin en de verwerping van de Oslo-akkoorden door rechts Israël versterkten bij hem het gevoel dat de tijd om het wapen van de vrijheidsstrijder op te bergen en alleen nog maar een olijftak te dragen, nog niet was aangebroken. Hij stierf zonder zijn belangrijkste doelen en dromen gerealiseerd te hebben. De Palestijnen hebben daarmee hun vader (zonder vaderland) verloren. En de Israëliërs zijn een gehate vijand kwijtgeraakt, maar ook een obstakel én het excuus en alibi om geen vrede te sluiten.