Hij had een groot partner van Israël kunnen worden

De tragedie van Yasser Arafat was dat, naarmate hij dichter bij een vreedzame oplossing kwam, de Israëlische regeringen zich verder terugtrokken, betoogt Uri Avnery. Zijn dood kan het begin van een echt vredesproces inluiden, maar het volslagen gebrek aan leiding dat Arafat achterlaat, sluit succes in de nabije toekomst uit, meent Barry Rubin.

Het formaat van een leider wordt bepaald door wat hij tot stand heeft gebracht, maar vooral ook door de obstakels die hij heeft moeten overwinnen. In dat opzicht doet Yasser Arafat voor niemand onder: geen andere leider van onze generatie heeft zulke wrede beproevingen en zulke tegenslagen te verduren gehad.

Toen hij eind jaren '50 ten tonele verscheen, was zijn volk nagenoeg in vergetelheid geraakt. De naam Palestina was van de kaart gewist. Israël, Jordanië en Egypte hadden het land onderling verdeeld. De wereld had besloten dat er geen Palestijnse natie was, dat – net als de Amerikaanse indianen – het Palestijnse volk niet meer bestond, als het al ooit bestaan had.

In de Arabische wereld was de `Palestijnse zaak' niet meer dan een speelbal van de Arabische regimes, die hem allemaal voor hun eigen belangen probeerden uit te buiten; onafhankelijke Palestijnse initiatieven werden met harde hand de kop in gedrukt. Bijna alle Palestijnen leefden onder dictaturen, de meesten in vernederende omstandigheden.

Toen Yasser Arafat, een jonge ingenieur in Koeweit, de `Palestijnse Bevrijdingsbeweging' oprichtte, mikte hij allereerst op bevrijding uit de handen van de diverse Arabische leiders, opdat het Palestijnse volk namens zichzelf zou kunnen spreken en handelen. Dat was de eerste revolutie van de man die er in zijn leven zeker drie heeft teweeggebracht.

Het was een gevaarlijke revolutie. Fatah, dat geen onafhankelijke basis had, moest functioneren in de Arabische landen, vaak onder meedogenloze vervolging. [...]

Die jaren hebben Arafats karakteristieke stijl gevormd. Hij moest manoeuvreren tussen de Arabische leiders, hen tegen elkaar uitspelen; hij moest trucs, halve waarheden en dubbelzinnigheden hanteren, valstrikken en obstakels omzeilen. Hij werd wereldkampioen manipuleren. Zo wist hij de bevrijdingsbeweging, toen die nog zwak was, voor vele gevaren te behoeden, tot ze een machtsfactor van betekenis werd.

Gamal Abd-al-Nasser, de Egyptische heerser die in die tijd de held was van de hele Arabische wereld, begon zich zorgen te maken over de onafhankelijke Palestijnse factor in opkomst. Om die tijdig te smoren, richtte hij de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) op [...].

Maar nadat de Arabische legers in 1967 beschamend op de vlucht waren gejaagd, en nadat de Fatah-strijders in maart 1968 in de slag bij Karameh een inspirerende overwinning op het Israelische leger hadden behaald, nam Fatah de PLO over en werd Arafat de onomstreden leider van de Palestijnse strijd.

Halverwege de jaren '60 begon Arafat zijn tweede revolutie: de gewapende strijd tegen Israël. Het deed bijna lachwekkend aan: een handvol slechtbewapende, niet erg efficiënte guerrillastrijders, tegen het machtige Israëlische leger. En dat niet in een land van ontoegankelijke wouden en bergen, maar in een klein, vlak, dichtbevolkt gebied. Toch heeft die strijd de zaak van de Palestijnen op de kaart gezet. Het moet gezegd: zonder die moorddadige aanvallen zou de wereld geen aandacht hebben geschonken aan de Palestijnse roep om vrijheid.

Als gevolg hiervan werd de PLO erkend als de ,,enige vertegenwoordiger van het Palestijnse volk'' en werd Yasser Arafat dertig jaar geleden uitgenodigd om zijn historische redevoering te houden voor de Algemene Vergadering van de VN: ,,In één hand draag ik een geweer, in de andere een olijftak.''

Voor Arafat was de gewapende strijd een middel, meer niet. Geen ideologie, geen doel op zich. Hij begreep dat dit instrument het Palestijnse volk kracht zou schenken en de erkenning van de wereld zou verwerven, maar dat het Israël niet zou overwinnen.

De Oktoberoorlog in 1973 gaf een nieuwe wending aan zijn denken. Hij zag hoe de legers van Egypte en Syrië, die aanvankelijk met een verrassingsaanval een briljante overwinning behaalden, door het Israëlische leger tot staan werden gebracht en uiteindelijk verslagen. Dat schonk hem definitief de overtuiging dat Israël niet met wapens kon worden verslagen.

Daarom begon Arafat meteen na die oorlog zijn derde revolutie: hij besloot dat de PLO een overeenkomst moest sluiten met Israël en zich tevreden moest stellen met een Palestijnse staat op de Westoever en in de Gazastrook.

Dat plaatste hem voor een historische opgave: hij moest de Palestijnen overreden om hun historistische standpunt – dat Israël geen bestaansrecht had – op te geven en genoegen te nemen met slechts 22 procent van het Palestijnse grondgebied van voor 1948. Zonder dat het er uitdrukkelijk bij werd gezegd, betekende dat ook dat vluchtelingen niet onbeperkt naar Israëlisch grondgebied zouden kunnen terugkeren.

Arafat ging op karakteristieke wijze aan de slag, volhardend, geduldig, listig – twee stappen vooruit, één achteruit. [...] Ter wille van de historische gerechtigheid moet duidelijk worden gesteld dat Arafat de Oslo-overeenkomst al voorzag toen Yitzhak Rabin en Shimon Peres nog vasthielden aan de uitzichtloze `Jordaanse optie', die inhield dat het mogelijk was de Palestijnen te negeren en de Westoever terug te geven aan Jordanië. Van de drie mensen die de Nobelprijs voor de Vrede ontvingen, verdiende Arafat hem het meest.

Vanaf 1974 ben ik ooggetuige geweest van de reusachtige inspanningen die Arafat zich getroostte om zijn volk voor deze nieuwe aanpak te winnen. Stap voor stap werd zijn plan aanvaard door de Palestijnse Nationale Raad, het parlement in ballingschap, eerst door een resolutie om een Palestijns gezag te vestigen ,,in alle delen van Palestina die van Israël waren bevrijd'', en in 1988 om een Palestijnse staat te vestigen naast Israël.

Arafats tragedie – en de onze – was dat naarmate hij dichter bij een vreedzame oplossing kwam, de Israëlische regeringen zich verder terugtrokken. Zijn heldere minimumeisen zijn sinds 1974 niet veranderd: een Palestijnse staat op de Westoever en in de Gazastrook; Palestijnse soevereiniteit over Oost-Jeruzalem (inclusief de Tempelberg, maar zonder de Klaagmuur en de joodse wijk); herstel van de grenzen van vóór 1967, met de mogelijkheid om kleine, gelijkwaardige stukken grond te ruilen; evacuatie van alle Israëlische nederzettingen uit Palestijns gebied; en een oplossing van het vluchtelingenprobleem in overleg met Israël.

Voor de Palestijnen is dat het absolute minimum.

Premier Yitzhak Rabin is misschien tegen het einde van zijn leven dichtbij deze oplossing gekomen, toen hij verklaarde: ,,Arafat is mijn partner.'' Al zijn opvolgers hebben haar verworpen. Zij waren niet bereid de nederzettingen op te geven, maar breidden die juist voortdurend uit. Zij weigerden consequent een definitieve grens vast te leggen, omdat hun soort zionisme voortdurende expansie vereist. Daarom beschouwden zij Arafat als een gevaarlijke vijand en probeerden zij hem met alle mogelijke middelen te vernietigen. [...]

Geen andere vrijheidsstrijder heeft in de afgelopen halve eeuw voor zulke reusachtige hindernissen gestaan als Arafat. Hij stond niet tegenover een gehate koloniale mogendheid of een verachte, racistische minderheid, maar tegenover een staat die was ontstaan na de holocaust, die werd gesteund door de sympathie en de schuldgevoelens van de wereld. In alle opzichten – militair, economisch, technologisch – is de Israëlische samenleving veel sterker dan de Palestijnse.

Toen een beroep op Arafat werd gedaan om het Palestijnse Gezag te vestigen, nam hij geen bestaande, functionerende staat over, zoals Nelson Mandela of Fidel Castro, maar geïsoleerde, verarmde stukken grond waarvan de infrastructuur door tientallen jaren bezetting was verwoest. Hij nam geen bevolking over die op haar eigen land leefde, maar een volk waarvan de helft als vluchteling verstrooid was over vele landen, en de andere helft een politiek, economisch en religieus verscheurde samenleving vormde. En dat alles terwijl de bevrijdingsstrijd doorging.

Dat hij dat geheel bij elkaar heeft weten te houden en onder zulke omstandigheden stap voor stap naar zijn bestemming heeft geleid, dát is de historische prestatie van Yasser Arafat.

Grote mannen hebben grote gebreken. Eén daarvan is dat Arafat geneigd was alle besluiten alleen te nemen, vooral nadat al zijn getrouwen waren gedood. [...] Als een ware leider ging hij voorop en voerde hij zijn volk achter zich aan. Zo bood hij de Arabische leiders het hoofd, zo begon hij de gewapende strijd, zo stak hij Israël de hand toe. Om zijn moed heeft hij – ongeacht de kritiek – het vertrouwen, de bewondering en de liefde van zijn volk verdiend.

Israël heeft een grote vijand verloren, die een grote partner en bondgenoot had kunnen worden. Met het verstrijken van de jaren zal zijn gestalte in de herinnering steeds groter worden.

Wat mij betreft: ik respecteerde hem als een Palestijnse patriot, ik bewonderde hem om zijn moed, ik begreep onder welke belemmeringen hij moest werken, ik zag in hem de partner om mee aan een nieuwe toekomst voor onze twee volkeren te bouwen.

Ik was zijn vriend.

Zoals Hamlet over zijn vader zei: ,,Hij was een man, hij mocht in alles onovertroffen heten; ik zal zijns gelijke niet meer zien.''

Uri Avnery is oud-parlementslid, vredesactivist en leider van Gush Shalom (organisatie die zich inzet voor de bescherming van mensenrechten van Palestijnen).