Geelhoed: recht op studiebeurs in EU

Studenten uit lidstaten van de Europese Unie die in een ander EU-land gaan studeren hebben in beginsel recht op een studiebeurs van dat land. Dit `gastland' mag wel voorwaarden stellen, mits die ,,passend'' zijn.

Deze conclusie trok advocaat-generaal L.A.Geelhoed van het Europees Hof van Justitie vanmorgen in de zaak-Bidar. Zijn oordeel is niet bindend voor het Hof, dat waarschijnlijk begin volgend jaar arrest wijst. Als het Hof Geelhoeds voorstel volgt, wordt het voor EU-landen lastiger om studenten uit andere Europese landen een studietoelage te weigeren.

De Fransman Dany Bidar verhuisde zes jaar geleden met zijn moeder naar Engeland. Daar maakte hij zijn middelbare school af en ging hij economie studeren. De Britse overheid weigerde hem een studietoelage. Bidar vocht die beslissing aan wegens dicriminatie en inbreuk op het recht van EU-burgers op vrij reizen en verblijven binnen de Unie. De Britse rechter legde de kwestie voor aan het Luxemburgse Hof dat waakt over de uitleg van de EU-verdragen.

Geelhoed wijst er in zijn conclusie op dat steun voor kosten van levensonderhoud sinds de invoering van het Europees burgerschap (Verdrag van Maastricht, 1993) binnen de werkingssfeer van het gemeenschappelijke Europese recht valt. Dit betekent ook dat studenten in beginsel recht hebben op een toelage als ze in een ander EU-land gaan studeren. Hierin stelt hij Bidar dus in het gelijk.

Ter voorkoming van misbruik en beteugeling van `studiebeurstoerisme' mogen lidstaten wel voorwaarden stellen aan een studielening of -beurs, erkent Geelhoed. Maar die moeten ,,passend'' zijn en mogen niet verder gaan dan noodzakelijk is voor het tegengaan van misbruik. Een `verblijfseis' die een reële band met het onderwijsstelsel en de samenleving van het gastland waarborgt, kan een passende voorwaarde zijn.

Geelhoed noemt geen termijn voor zo'n wachttijd, maar hij acht de Britse afwijzing van een beurs voor Bidar te ver gaan. De Fransman had door zijn middelbareschoolopleiding in Engeland immers een duidelijke band met het Britse onderwijs opgebouwd, aldus de advocaat-generaal.

Als het Hof zijn voorstel volgt, zijn de financiële gevolgen voor nationale stelsels van studiefinanciering volgens Geelhoed onduidelijk. Daarom acht hij het billijk dat het Hof aan eventuele erkenning van het recht op een studiebeurs in het gastland geen terugwerkende kracht meegeeft.