Dreiging Van Gogh al sinds 1997

Al in 1997 wordt Theo van Gogh bedreigd, zo blijkt uit de feitenreconstructie die de ministers Donner en Remkes gisteren publiceerden.

De Amsterdamse driehoek van burgemeester, hoofdofficier van justitie en hoofdcommissaris moest bepalen of Theo van Gogh intensief beveiligd had moeten worden. De burgemeester Cohen had daartoe kunnen besluiten vanwege de openbare orde, hoofdofficier de Wit om strafbare feiten te voorkomen. Maar was er informatie voorhanden over concrete dreigementen die permanente bewaking zou hebben gerechtvaardigd?

Van Gogh kreeg al geruime tijd bedreigingen, zo blijkt uit de feitenreconstructie die de ministers Donner en Remkes vannacht naar de Tweede Kamer hebben gestuurd. Publieke personen die openlijk hun mening verkondigen worden ,,steeds vaker en ernstiger bedreigd'', zo schrijven zij. Dat komt door ,,verdere verharding van het maatschappelijke klimaat waarbij de fysieke integriteit van publieke functionarissen steeds vaker in het geding is.''

Een eerste dreigingsmelding over Van Gogh dateert van september 1997. Dan ontvangt de redactie van het weekblad Nieuwe Revu een telefonisch dreigement voor Van Gogh en de publicist Theodoor Holman. Met de aangifte kan niets worden gedaan, want er ontbreekt een `daderindicatie': het is niet duidelijk van wie de bedreiging zou kunnen komen. In april 2004 doet de hoofdredacteur van het dagblad Metro aangifte van bedreigingen aan zijn adres en dat van Van Gogh. Het onderzoek levert niets op.

Theo van Gogh komt opnieuw in beeld wanneer hij deze zomer met het Kamerlid Hirsi Ali (VVD), die al langer beveiligd wordt, de film Submission maakt. Daarin wordt de koran gebruikt om vrouwenmishandeling aan de kaak te stellen. Negen dagen voor de tv-vertoning van de film, op 29 augustus 2004, vraagt minister Remkes de nationaal coördinator bewaking en beveiliging (NCBB) om de Amsterdamse politie aandacht te vragen voor van Van Gogh. De coördinator was toen al van plan, zo staat in het relaas, de Amsterdamse politie voor de uitzending te adviseren ,,alert te zijn in verband met mogelijke consequenties [..] voor de veiligheid van Van Gogh''. Op 25 augustus bespraken de coördinator en ministers de mogelijke gevolgen van de film. Het ,,spreekt voor zich dat deze beelden kunnen leiden tot al dan niet gewelddadige (re)-acties richting mw. Hirsi Ali'', schrijven de ministers.

Op 27 augustus belooft Van Gogh telefonisch en na enig aandringen aan de coördinator het nummer te onthouden van een zogeheten `special care'-telefoon. Dat is een speciaal telefoonnummer van de Amsterdamse politie dat wordt gegeven aan personen binnen de regio die bewaakt of beveiligd worden. Een dag later, als Van Gogh in media heeft gesproken over bewakingsmaatregelen voor hem, probeert de coördinator hem vergeefs te spreken te krijgen. Via zijn productiemaatschappij kreeg de coördinator te horen dat ,,Van Gogh geen zin had in contact met de politie''.

Na de uitzending, op 31 augustus, ontdekt de nationale recherche een bericht op internet met dreigementen aan Hirsi Ali en ,,de ongelovige duivelse spotter Theo van Gogh''. Op maandag 13 september actualiseert de AIVD een dreigingsinschatting over Hirsi Ali. De ernst van de dreiging wordt voor haar omschreven als `gemiddeld tot hoog'. Van Gogh wordt ook genoemd, maar zonder inschatting over de risico's die hij loopt. De analyse wordt niet naar Amsterdam gestuurd, wel naar de politie Haaglanden, waar Hirsi Ali woont. In in latere dreigingsbeoordelingen, na de aanhouding van een terreurverdachte in Zeeland, wordt Van Gogh niet genoemd.

Ministers Donner en Remkes willen de capaciteit voor persoons- en objectbeveiliging nu fors uitbreiden.