China op hongertocht naar energie

De Chinese president Hu Jintao komt vandaag aan in Brazilië, het eerste van vier Latijns-Amerikaanse landen die hij deze en volgende week aandoet. China is op zoek naar goede investeringen in het buitenland, vooral in de sectoren energie en voeding.

China krijgt steeds meer belangstelling in buitenlandse investeringen, zowel in Latijns-Amerika als in de rest van de wereld. In Argentinië kwam dat nieuws zo luid en duidelijk over, dat de Argentijnse pers een paar dagen terug zelfs sprak over voorgenomen Chinese investeringen ter waarde van maar liefst 20 miljard dollar (15,5 miljard euro) in Argentinië alleen.

De vier Latijns-Amerikaanse landen die de Chinese president Hu Jintao vanaf vandaag bezoekt, zijn voor China zeker interessant. Zo beschikt Brazilië bijvoorbeeld over ijzererts en sojabonen, Argentinië produceert olie, aardgas en ook sojabonen, Chili heeft kopermijnen en Cuba exploreert nikkel.

Er is de laatste tijd dan ook sprake van een explosieve groei van de handel tussen China en Zuid-Amerika. Argentinië alleen al zag zijn export naar China vorig jaar met bijna 150 procent stijgen.

Het Argentijnse nieuws over een Chinese investering van 20 miljard dollar (zie kader hieronder) was sensationeel, maar het bleek ook te mooi om waar te zijn. Niet alleen staat dat bedrag bijna gelijk aan Argentinië's nationale begroting over 2004 (18 miljard dollar), het is ook bijna zeven keer zo veel als de voorzichtige 3 miljard dollar die China over geheel 2003 in de hele wereld investeerde. Ter vergelijking: de buitenwereld zal in China dit jaar vermoedelijk 60 miljard dollar investeren. Het bericht zegt vooral iets over de wel erg overspannen hoop die Argentinië op China als investeerder heeft gevestigd.

Toch zet China wel degelijk, zij het voorlopig nog voorzichtige, schreden op het pad van de internationalisering van zijn bedrijven. Daarbij is China boven alles gericht op investeringen die het land meer toegang geven tot olie en gas, en tot andere grondstoffen die China binnenslands het hardste nodig heeft om de honger van zijn sterk groeiende economie te stillen.

Daarom zette de grote Chinese staalproducent Baosteel bijvoorbeeld samen met de Braziliaanse mijnbouwer Companhia Vale do Rio Doce in 2002 een joint-venture op, waarbij staal wordt gemaakt uit Braziliaans ijzererts met behulp van Chinese kolen.

China investeert inmiddels in zeker veertien landen in olie, waaronder Iran, want het wil een zo uitgebreide en direct mogelijke toegang tot olie veilig stellen zonder zich te erg van één bepaalde regio afhankelijk te maken.

Voor Europa heeft China een andersoortige belangstelling. Hier wil het land vooral toegang krijgen tot technologie, en het wil zich daarnaast de vaardigheden eigen maken die nodig zijn voor onderzoek en ontwikkeling.

In China komt nieuwe technologie vooral het land binnen via buitenlandse partners van Chinese bedrijven, maar buitenlandse bedrijven opereren steeds vaker op de Chinese markt zonder lokale partner. Voor Chinese bedrijven is het ook daarom heel interessant om de technologie direct uit het buitenland te halen en in China in te zetten.

Buitenlandse bedrijven in China maken steeds meer gebruik van het ruime aanbod aan hoogopgeleid Chinees personeel voor hun onderzoek en ontwikkeling, maar Chinese bedrijven zelf staan wat dat betreft nog in de kinderschoenen.

Er is de laatste tijd ook een andere trend zichtbaar: Chinese bedrijven die overgaan tot de aankoop van onderdelen van westerse bedrijven om hun markktoegang in één klap sterk te vergroten. Zo kocht de Chinese elektronicagigant TCL, die in China te maken heeft met moordende concurrentie, overproductie en daardoor prijsbederf, eerder dit jaar de televisiedivisie van het Franse bedrijf Thomson.

Met autofabrikanten gebeurt iets vergelijkbaars. In China dreigt ook in die sector overcapaciteit, en sommige bedrijven zoeken een uitweg door de aankoop van Europese autofabrieken. Zo dingt momenteel SAIC uit Shanghai mee naar overname van de Poolse autofabriek FSO.

Het zijn nu nog vooral door de staat gesteunde bedrijven die de internationale markt op gaan, maar zij zijn niet meer de enigen. Vooral China's privébedrijven hebben veel last van marktontregelende overheidsbemoeienis in China zelf, en voor de sterkeren onder hen wordt het steeds aantrekkelijker om de markt te betreden in landen waar de positie van privébedrijven beter geregeld is. Waar SAIC in Polen via FSO een voet aan de grond tracht te krijgen, probeert de kleine Chinese privé-autofabrikant Chery de grote Chinese broer rechts in te halen door zo snel mogelijk een eigen fabriek in Polen op te tuigen.

Het zouden weleens de Chinese privébedrijven kunnen zijn die het meest profiteren van de nieuwe mogelijkheden om in het buitenland te investeren.