Arafats erfenis

`De kat met de negen levens' bleek uiteindelijk ook maar een sterfelijk mens. Yasser Arafat, overlevingskunstenaar bij uitstek, is gestorven; niet in zijn harnas van Palestijns strijder, maar als een zieke oude man die de laatste jaren zijn macht zag afkalven en zich door zijn belangrijkste opponent, premier Ariel Sharon van Israël, ,,irrelevant'' verklaard wist. Het was een beslissend moment in Arafats leven. Sharons kwalificatie, aan Arafat verschaft tijdens de belegering van diens hoofdkwartier in Ramallah in december 2001, markeerde het begin van het einde van zijn macht. Hij was daarna nog wel belangrijk als symbool van de Palestijnen, maar in toenemende mate werd niet meer naar hem geluisterd – al helemaal niet door Palestijnse extremisten.

Yasser Arafat heeft decennialang de politiek in het Midden-Oosten gedomineerd. Eerst als terrorist en verzetsstrijder, later als politiek leider die ietwat voorbarig met de Israëlische politici Yitzhak Rabin en Shimon Peres in 1994 tot winnaar van de Nobelprijs voor de vrede werd uitgeroepen. Van terrorist tot vredesprijswinnaar: bij Arafat was alles mogelijk. Hij was een rasopportunist die kansen greep wanneer die zich voordeden. Bij menigeen stond hij te boek als een bedrieger en een leugenaar. Voor de wereld was hij ook `mr. Palestine', een eretitel die hij zonder meer verdiende. Hij was tot op zijn sterfbed een vat vol tegenstrijdigheden. Dankzij die vele paradoxen kon hij in 's werelds grootste mijnenveld moeiteloos overleven.

Yasser Arafat laat een politieke erfenis na die bij wanbeheer tot problemen kan leiden. Zoals bijna iedere machtspoliticus heeft ook hij niet aan zijn opvolging gewerkt. Hoewel zijn feitelijke macht lang niet meer zo groot was als vroeger, bleek al tijdens zijn coma dat na zijn dood een vacuüm kan ontstaan. Zo irrelevant was Arafat nu ook weer niet. Geen van de huidige Palestijnse leiders heeft de status of het charisma van Abu Amar, zoals zijn aanhang hem noemde. Geen van de `nieuwkomers' is het samenbindende element dat radicalen en gematigden ook maar enigszins verenigt. Arafats opvolger erft een verdeeld, verpauperd en mishandeld volk.

Op de korte termijn lijken de zaken geregeld. Op langere termijn kan een strijd om de macht ontstaan. Die kan een functie hebben, maar moet wel tot iets leiden. Als het uitloopt op onhelder of omstreden leiderschap, zullen de extremisten hun gang blijven gaan en zal de wereld zich blijven afwenden van het Palestijnse vraagstuk. Ook voor Israël, dat bij monde van premier Sharon geen gelegenheid voorbij liet gaan om Arafat te verdoemen, is het afwachten wat na hem komt. Het hoeft niet automatisch beter te zijn. Maar Arafat was ook een obstakel. Zijn dood betekent een kans het overleg tussen Israël en de Palestijnen te heropenen. Zeker nu de Amerikaanse verkiezingen voorbij zijn, is het voor Washington tijd om initiatief te tonen. De afkeer die president Bush van de Palestijnse leider had, is niet meer van belang. De dood schept zijn eigen mogelijkheden – en daarvan kunnen de VS, de Europese Unie, Rusland en de Verenigde Naties als `vredesmakelaars' gebruikmaken.

Met Arafats dood eindigt een tijdperk. De man die als geen ander het grote conflict in het Midden-Oosten wist te bespelen, die naar eigen zeggen in de ene hand een olijftak had en in de andere een geweer, die als manipulator oorlog en vrede met elkaar afwisselde – die man is niet meer. Na hem komt een periode van onzekerheid. Zijn opvolger kan niet `relevant' genoeg zijn.