Twaalf observanten per persoon

Het observeren van potentiële daders van aanslagen is ingewikkeld. In Nederland kunnen niet enkele duizenden extremisten permanent in de gaten worden gehouden.

De Tweede Kamer suggereerde vorige week dat de AIVD in staat moet zijn om honderden mensen tegelijk `dag en nacht' in de gaten te houden. In één van de 43 vragen die Kamerleden vorige week naar de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie stuurden werd gevraagd: `Hoe houdt de AIVD de groep mensen rondom de 150 personen die door de AIVD dag en nacht worden gevolgd in de gaten?'

Het is volgens beveiligingsexperts op zichzelf al een vrijwel onbegonnen taak om 150 personen `dag en nacht in de gaten te houden'. Voor het permanent schaduwen van verdachten of mensen die zich verdacht gedragen, zijn ten minste twaalf observanten per persoon nodig, aldus een beveiligingsspecialist die voor Defensie werkt. Twee personen schaduwen een verdachte acht uur achter elkaar. Om dat 24 uur per dag te kunnen doen zijn zes mensen nodig. Als weekenden en vakanties worden meegerekend zijn al snel twaalf observanten per persoon nodig. En dan gaat het alleen om het passief volgen van het object van onderzoek. Voor het uitpluizen van de vrienden- en kennissenkring en de familie van de betrokkene, dus een kring van enkele tientallen personen per individu, is een veelvoud aan volgers nodig.

De AIVD beschikt over een aantal volgploegen en kan een beroep doen op observanten van politiekorpsen of bijvoorbeeld de marechaussee. Maar een groep van enkele duizenden verdachten of mensen die zich verdacht gedragen `in de gaten houden' is in de huidige situatie volstrekt ondenkbaar, aldus voormalige medewerkers van de dienst. Ook oud-BVD'er Frits Hoekstra begrijpt de commotie in de Tweede Kamer niet. ,,Men moet niet vragen waarom de dienst de vermeende moordenaar van Van Gogh niet in de gaten hield, maar waarom de dienst en minister Remkes zo gebrekkig communiceren. Wat men moet uitleggen is dat het in Nederland land gelukkig onmogelijk is alle bekenden van een genoemde kern van 150 vermeende mogelijke verdachten in de gaten te houden.''

Hoekstra wijst erop dat bij ieder van de vermeende islamitische terroristen bij de AIVD zeker drie of vier andere bekenden zijn geregistreerd, nog afgezien van de familie van de `verdachten'. ,,Het vergt een dienst van een Stasi-achtige omvang om die allemaal in de gaten te houden. Duizenden ambtenaren die met een netwerk van tienduizenden informanten honderdduizenden Nederlanders in hun privé doen en laten volgen? Dat moeten we niet willen.''

Dat dilemma speelt ook in de hoofden van de beleidsmakers in Den Haag. Na de moord op Theo van Gogh wordt nu opnieuw gekeken naar de ervaringen met de beveiliging van Pim Fortuyn, vlak voor zijn dood in 2002. Volgens de commissie die die beveiliging onderzocht, de commissie-Van den Haak, schoten alle hoofdrolspelers die betrokken waren bij de beveiliging van Fortuyn tekort, luidde aan het eind van dat jaar de conclusie, ook Fortuyn zelf, aldus Van den Haak. Fortuyn was afkerig van elke beveiligingsmaatregel en had ook nooit aangifte gedaan van bedreigingen aan zijn adres.

Desalniettemin had hij beveiligd moeten worden, oordeelde Van den Haak destijds. De commissie oordeelde dat er sprake was van ,,een gebrekkige organisatie van de overheid inzake de beveiliging van personen''. Diezelfde vraag is nu, twee jaar later opnieuw aan de orde. Ondanks urenlange debatten in de Tweede Kamer en beloftes van beterschap staat nu de vraag weer centraal of de organisatie van persoonsbeveiliging rond de persoon van Theo van Gogh faalde. En als tweede: hebben de landelijke opsporings- en veiligheidsdiensten afdoende hun informatie gedeeld met de lokale autoriteiten in Amsterdam?

Vorig jaar stuurden de ministers Remkes en Donner de notitie `Nieuw stelsel bewaken en beveiligen' naar de Tweede Kamer. Het was de kabinetsreactie op Van den Haak. Belangrijk verschil met het verleden was het gegeven dat niet alleen concrete dreiging tot persoonsbeveiliging zou leiden. Ook potentiële dreigingen zouden worden geïnventariseerd en geanalyseerd, zowel op rijks- als op lokaal niveau.

Persoonsbeveiliging is in principe een verantwoordelijkheid van het lokale bestuur, luidt sindsdien het uitgangspunt. De rijksoverheid is verantwoordelijk voor de beveiliging van een beperkte groep personen en objecten, zoals de leden van het koninklijk huis, de minister-president, ministers, fractievoorzitters of de president van de Hoge Raad.

Bestaande wetgeving op het gebied van privacy beperkt de mogelijkheden om adequaat te onderzoeken of een persoon beveiligd moet worden, zo wordt in de notitie gesteld. Het is nu alleen toegestaan om gebruik te maken van bij de diensten reeds bestaande databestanden en informatie. Het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden, zoals het afluisteren van de telefoon, observaties of het doorzoeken van woningen, noemden Remkes en Donner vorig jaar ,,te ingrijpend en niet proportioneel''. Het is de vraag of de Tweede Kamer die opvatting nu nog overeind houdt.

Van den Haak waarschuwde er in 2002 al voor dat zelfs de hoogste graad van persoonsbeveiliging een moord niet altijd kan voorkomen. Hij verwees naar Amerikaans onderzoek waaruit blijkt dat 69 van de 74 aanslagen tussen 1949 en 1996 op Amerikaanse presidenten en andere politici werd begaan door op zichzelf staande individuen. Slechts tien procent van alle 83 plegers van de dodelijke en niet-dodelijke aanslagen bedreigde hun doelwit van tevoren, hetzij direct hetzij via de politie. Met andere woorden: de daders kwam bijna allemaal uit het niets.