Extremist breekt met eigen cultuur

Mohammed B. is geen exponent van de `islamitische cultuur', maar juist een voorbeeld van de breuk tussen het extremisme en de mainstream van de moslimgemeenschap, meent Sjoerd de Jong.

Na de terroristische moord op Theo van Gogh hebben bewonderaars van de filmer, politici en columnisten de schok, niet verwonderlijk, vertaald in zwaarbeladen woorden over oorlog en mentale bezetting. Maar juist Geert Wilders zei gisteren óók dat brandstichters van moskeeën hard moeten worden aangepakt. VVD-fractieleider Van Aartsen, die verwees naar het begin van de Tweede Wereldoorlog in Nederland, zei óók dat ,,aanslagen niet worden gepleegd door een cultuur, een religie of een sociale groep''.

Dat is, naast alle brandberichten, verstandige taal. Harde maatregelen tegen individuen of netwerken die betrokken zijn bij extremistische activiteiten, zijn geboden, daarover bestaat geen twijfel. Maar moslims moeten niet als één groep worden gecriminaliseerd of buiten de beschaving geplaatst.

Daarvoor geeft de huidige islamitische terreur ook geen aanleiding. Een globale, culturele interpretatie – die zegt dat het kwaad van `de islamitische cultuur' met Turkse en Marokkaanse migranten onze kant op is gekomen – heeft een simpele overtuigingskracht, maar mist het punt. Het huidige islamitische terrorisme heeft zich, zoals de Franse onderzoeker Olivier Roy keer op keer laat zien, lang en breed losgezongen van de traditionele islam of wat dan heet originele `islamitische' culturen. Gewelddadige fanatici als Bin Laden en Mohammed B. zijn producten van een moderne deculturalisatie en globalisering van de islam die juist breekt met tradities en concrete culturen – ook die van de eerste generatie immigranten in Nederland. De generatiekloof, het failliet van het ouderlijk gezag en het tumult over de islam vormden hier sinds de schok van 11 september 2001 een explosieve combinatie.

Waar gaat het dan om? Een onderscheid kan hier helpen. Van Aartsen spreekt van het `islamisme' dat ons wil vernietigen. Dan denken we aan een beweging die de islam als wapen ziet voor politieke actie en revolutie. Khomeiny in Iran was een dergelijke `islamist'. Hij wilde een staat van islamitische geleerden bouwen, en liet zich daarbij mede inspireren door het marxisme en door Plato's heerschappij van `koning-filosofen'. Zulke islamisten streven naar een politieke, sociale en economische modernisering van staat en samenleving die strookt met de islam. Dit is een utopisch politiek programma, dat inmiddels overal waar het is geprobeerd, schipbreuk heeft geleden.

Osama bin Laden en andere terroristen zijn dit `islamisme' voorbij. Zij zijn wat Roy noemt `neofundamentalisten'. Cultureel onthechte activisten die geen belangstelling hebben voor concrete politiek, maar een zuivere islam najagen die ,,met Gods hulp'' zal zegevieren op aarde. Islamisten werden gedwongen, met al hun theologische paradoxen, praktische politiek te bedrijven: ze hamerden op modernisering, scholing van vrouwen, en waren meestal (ten onrechte) optimistisch over een islamitische staat.

Neofundamentalisten, zoals de Talibaan in Afghanistan, zijn afkerig van praktische politiek, vaak rabiate vrouwenhaters, en doorgaans pessimistisch of zelfs nihilistisch gestemd: de wereld is een helse beproeving voor de ware gelovige, die smeekt om het Laatste Oordeel. De apocalyptische passages in de brief van Mohammed B. zijn een uitdrukking van dit inktzwarte levensgevoel. Er is nog een ander verschil. Neofundamentalisten verwerpen het traditionele leergezag, vaardigen zelf hun fatwa's uit en hechten alleen aan de letterlijke tekst van de koran.

Waar doet dit neofundamentalisme aan denken? Het is om te beginnen een effect van het mislukken van het islamisme, niet van het succes ervan. In die zin is de huidige golf van terreur inderdaad eerder een teken van zwakte van de `politieke islam' dan van kracht. Het islamitische radicalisme heeft geen sociale basis gewonnen in de landen van herkomst, en doet sinds 11 september 2001 een desperate gooi naar media-aandacht, mobilisatie van de massa en nieuwe rekruten. Die laatste vinden ze ook, of zelfs vooral, in westerse landen, waar jonge moslims wonen die geschoold zijn, maar vervreemd en afgesneden van hun traditionele cultuur. Wat hen bindt is een virtuele gemeenschap van gelovigen, een digitale umma, die wordt uitgeleefd op internet. Hun terrorisme is dus geen import uit het Midden-Oosten, maar ontstaat vooral hier – en kan rekenen op steun van een mondiaal netwerk van jihadisten.

Ten tweede. Dit neofundamentalisme zou men een geradicaliseerd `protestantse' vorm van islam kunnen noemen. Enkele overeenkomsten met born again evangelisme in de Verenigde Staten zijn, met alle nadrukkelijke verschillen, opvallend. Afwijzing van traditioneel gezag, nadruk op redding door genade, fixatie op de letterlijke tekst (sola scriptura), een breuk met traditie en cultuur en een emotionele, sterk persoonlijke geloofsbeleving. Met het eschatologische christendom deelt dit radicalisme ook de apocalyptische overtuiging dat iedereen verdoemd is behalve een keur van `ware gelovigen'.

Wat betekent dit? In elk geval dat het bepleiten van een moderne, persoonlijke islam die ,,zich richt tot het individuele geweten van de gelovige'', zoals Paul Scheffer zaterdag in deze krant deed in een bewonderenswaardig essay, nog geen oplossing is. Dit extremisme is modern, individualistisch en geobsedeerd met het eigen geweten. Neofundamentalisten malen nergens zozeer om als om hun eigen morele zuiverheid en hun status van oprechte gelovige. Die hopen ze nu juist waar te maken in de vuurzee van een verlossend martelaarschap.

Dit extremisme is dus een product van religieuze `hervorming', dat wil zeggen: het losslaan van de gevestigde kaders van cultuur en orthodoxie. Het versterkt het idee dat de moord op Van Gogh direct was bedoeld voor Ayaan Hirsi Ali: voor een born again gelovige, die van religie een persoonlijke keus maakt en de kern van zijn nieuw gevonden identiteit, is er niets afschuwelijkers dan een afvallige die zich uit vrije keus tegen dat geloof keert.

Wat dan? Twee dingen moeten we voor ogen houden. Mohammed B. en zijn broeders zijn geen exponenten van `de islamitische cultuur', maar juist een voorbeeld van de breuk tussen het extremisme en de mainstream van de moslimgemeenschap. Laat staan dat ze een uitdrukking zijn van de `essentie' van de islam, als er al zoiets bestaat. Ten tweede: de islam heeft laten zien – in weerwil van de clichés over eeuwenlange stagnatie – een extraverte, wendbare religie te zijn, die nieuwe kennis en ervaring kan opnemen. Dat laatste is ook mogelijk in een modern Europa, dat zelf op zoek is naar herijking van normen en waarden. Dat moet moslims niet uitsluiten maar hen als medeburgers behandelen én aanspreken ter wille van een gezamenlijke toekomst – hoe hard moordenaars als Mohammed B. ook smeken om de vurige verlossing van de Laatste Dag.

Sjoerd de Jong is redacteur van NRC Handelsblad.