Een strenge zwart-witdenker die leerde glimlachen

Janez Janša (46) is eindelijk wat hij altijd al graag wilde zijn: de baas. 57 van de 85 aanwezige parlementariërs kozen hem gisteren tot premier van Slovenië. Drie keer probeerde hij de al twaalf jaar regerende linkse liberaal-democraten uit de macht te verdrijven. De vierde keer lukte het: zijn Sloveense Democratische Partij SDS verdubbelde begin oktober bij de parlementsverkiezingen haar aanhang en werd de grootste van het land.

Janez Janša begon ooit als Slovenië's bekendste politieke gevangene en groeide later, in de jaren negentig, uit tot Slovenië's grootste houwdegen. In 1988 werd hij een symbool van het sluimerende Sloveense verzet tegen het gezag van Belgrado. Jarenlang hadden de Slovenen in het kader van de solidariteit met de arme zuidelijke deelrepublieken van het toenmalige Joegoslavië enorme bedragen moeten afstaan die vervolgens in Montenegro en Kosovo over de balk werden gegooid. De Sloveense kwaadheid was groot, maar had geen stem. Toen het Joegoslavische Volksleger echter Janez Janša, militair deskundige en journalist van het blad Mladina, tot anderhalf jaar gevangenisstraf veroordeelde omdat hij in het blad een taboe had doorbroken – hij had het leger gehekeld – was voor de Slovenen de maat vol: er spoelde een golf van protest door het land. Het ging daarbij niet meer om het verklappen van militaire geheimen waaraan Janša zich schuldig zou hebben gemaakt, het ging ook niet meer om dat geld voor de arme republieken, het ging om meer: Slovenië pikte de dominerende rol van Belgrado niet langer. Janša werd katalysator en sleutelfiguur in de strijd die in 1991 leidde tot de afscheiding van Slovenië en de ondergang van het oude Joegoslavië.

In 1990 werd Janša minister van Defensie in het kabinet van de christen-democraat Lojze Peterle. In die functie zette hij de `territoriale verdediging' op poten die na het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1991 een tien dagen durende oorlog tegen het Joegoslavische Volksleger – David tegen Goliat – glansrijk won. Slechts zeventig levens eiste de eerste van de oorlogen die (ex-)Joegoslavië in de jaren negentig hebben geteisterd.

Janša, held van de Sloveense onafhankelijkheid inmiddels, stichtte een `Sociaal-Democratische partij van Slovenië' – die overigens eerder rechts dan sociaal-democratisch was. Hij struikelde in 1994 als minister nadat leden van een van zijn speciale eenheden een geheim agent in elkaar hadden geslagen (en van compromitterende documenten hadden voorzien) die ze van spionage voor toenmalige ex-communistische president Milan Kucan verdachten.

Sindsdien heeft Janša zich in de oppositie ontwikkeld tot een zwart-wit-denker, een soort inquisiteur, een vaak wild en grof om zich heen pratende opposant, die links gelijk stelde met communisme en het ene na het andere schandaal onthulde dat vervolgens geen schandaal bleek te zijn. Zijn weg werd een slagveld van conflicten met alles en iedereen. Met links, de liberaal-democraten (,,corrupt en incompetent'') en de ex-communisten, maar ook met midden en rechts, die de altijd kwade rechts-radicale `Sloveense Haider' niet lang meer in hun midden duldden. Zijn eigen Sloveense Democratische Partij leidt hij zonder tegenspraak te dulden of fouten toe te geven, als een generaal.

Dat hij in oktober slaagde, heeft Janša, een charismatische, lange, magere man met een strenge, om niet te zeggen boos-duistere uitstraling, vooral te danken aan een duidelijke matiging van zijn optreden tijdens de verkiezingscampagne. Hij fulmineerde niet meer, presenteerde zich nadrukkelijk als ,,een politicus van het midden'', leerde in het openbaar te glimlachen en kwam eindelijk met serieuze sociaal-economische argumenten om de kiezer over te halen.