A big nothing

Om de hoek van de straat waar ik logeer ligt het Dakota, het luxe flatgebouw in de Upper West Side met uitzicht op Central Park. Het is een prachtig, kameelkleurig gebouw uit 1884 met torentjes, erkers en gietijzeren balkons.

Er hebben beroemde mensen gewoond, zoals Leonard Bernstein en Lauren Bacall. Yoko Ono is er blijven wonen nadat John Lennon op 8 december 1980 in de ingang van het gebouw was vermoord.

Bijna elke dag kom ik er voorbij en elke keer moet ik even langs de portier naar de ingang kijken. Daar struikelde Lennon het kantoortje van de bewaker binnen ,,met een afschuwelijk verwarde uitdrukking op zijn gezicht'', zoals die bewaker later zei. Yoko holde achter hem aan en riep: ,,John is neergeschoten.''

Even verderop stond de dader, Mark David Chapman. Hij had die avond lang tot God én de duivel gebeden. De eerste moest hem van de verleiding verlossen, de ander moest hem de kracht geven om zijn missie te voltooien. Toen hoorde hij een stem in zijn hoofd die zei: ,,Doe het... doe het... doe het.''

Chapman was dezer dagen weer even in het nieuws. Hij moest verschijnen voor de Parole Board, de raad die over voorwaardelijke vrijlating gaat. Over zijn motief zei hij (ik laat zijn woorden voor de zuiverheid onvertaald): ,,It was just a tremendous compulsion of just feeling this big hole, of being what I thought was a big nobody, a big nothing, and I couldn't let it go. I just couldn't stop it.'' Hij had vooral aandacht voor zijn persoon gewild, zei hij.

Zó krankzinnig kunnen moordenaars zijn.

Hij had ook zelf een trauma aan de moord overgehouden, vertelde hij nog. Yoko was meteen na de moord naar de politiewagen gegaan waarin hij zat. Ze had niets gezegd. ,,Ze keek alleen maar naar binnen.''

De Parole Board besloot, voor de derde maal, Chapman niet vrij te laten.

De waanzin van deze moordenaar had nog een ander navrant aspect. Chapman identificeerde zich met Holden Caulfield, de held uit de roman The Catcher in the Rye van J.D. Salinger. Een boos, maar tegelijk teder boek over een jongen die zich verzet tegen de phonies, de nepmensen, om hem heen.

Na zijn daad legde Chapman zijn pistool neer en begon in de Catcher te lezen. Wat moet deze bekentenis wel niet voor de schrijver, die nog leeft, betekend hebben? Het is alsof iemand uit jouw naam een moord pleegt. Chapman is Holden en Holden is Salinger. Ik besef dat des te meer nu ik in deze buurt rondloop. Want dit is toevallig ook de buurt waarin Salinger zélf is opgegroeid.

Vanaf zijn negende woonde Salinger aan de 82ste straat in West, op nummer 221. Een hoog, nogal somber flatgebouw in een keurige straat. Vanaf hier liep hij in een kwartiertje naar zijn favoriete museum, het American Museum of Natural History. Holden, zijn alter ego, kon zich er eindeloos vergapen aan de indrukwekkende opgezette dieren, aan de indianen en, vooral, aan de eskimo. ,,Hij zat bij een gat in dat bevroren meer en hij viste door.'' ,,Maar het beste van dat museum was dat alles altijd op zijn plaats bleef'', mijmerde Holden.

Ik zoek ruim zeventig jaar later het hele museum af – maar geen eskimo.

Niets blijft, behalve moordenaars.