Waarom zwijgt EU over Van Gogh? (Gerectificeerd)

Nederland had de moord op Theo van Gogh in de Europese Unie op de agenda kunnen zetten, betoogt John Vinocur, columnist van de International Herald Tribune, in een opiniestuk. Waarom gebeurde dat niet?

Twee feiten over de islamitisch-fundamentalische aanval op het vrije woord in Nederland vorige week. De Europese Unie heeft niet met veel vertoon in het openbaar haar solidariteit met de Nederlanders betuigd. En de Nederlandse regering is ervoor teruggeschrokken om van haar partners te vragen om ronduit te verklaren dat deze gruweldaad heel Europa aanging.

Hier was een kwestie van zeldzame, levensgrote politieke afmetingen en enorme betekenis voor de Europese bevolking – de moord door een vermoedelijke terrorist op een Nederlandse filmer die moslims treiterde, wegens het feit dat deze ronduit, hoe lomp ook, had gesteld dat de islam niet verenigbaar is met het moderne Europese leven. En er was een forum om hierover te praten: een EU-top in Brussel op vrijdag.

De Nederlanders, bij toerbeurt voorzitter van de Europese Unie, hadden deze schanddaad op de agenda kunnen zetten als een ontstellende aanslag op ieders vrijheid. Had immers niet Gerrit Zalm diezelfde dag, toen hij als vice-premier een kabinetsvergadering voorzat, een toon als voor internationale noodgevallen aangeslagen – voor zijn binnenlandse publiek althans? Hij had een `oorlogsverklaring' uitgesproken, en toegezegd ,,We verklaren de oorlog terug. We voeren de strijd op en zullen radicale islamitische bewegingen uit Nederland doen verdwijnen.'

Maar nee, Europa praatte over andere zaken.

Toch vormt de toekomstige integratie van de islamitische bevolkingsgroepen – en dat is logisch – de achtergrond van zo'n beetje alles wat Europa dezer dagen denkt en doet. Wanneer het onderwerp Irak is, of het onderwijs of beroepsopleidingen, weegt, meestal zonder dat het wordt gezegd, de reactie van tientallen miljoenen Arabieren, Turken en Pakistanen binnen de Europese grenzen voortdurend mee.

Desondanks heeft de centrum-rechtse Nederlandse regering, toen zij werd geconfronteerd met een moord die bedoeld was om mensen af te schrikken van een open debat, besloten niet de aandacht van Europa voor deze zaak te vragen. Was dat verstandig?

Na een bijeenkomst die hier op vrijdagavond plaatsvond ter gelegenheid van een nieuw boek over het politieke erfgoed van Pim Fortuyn – de Nederlandse populist die werd vermoord omdat hij het onderwerp islamitische immigratie uit de nationale taboesfeer had gesleurd –, praatte een groep Nederlandse ambtenaren en intellectuelen over de vraag waarom de regering in Den Haag zo opvallend behoedzaam had gereageerd. De antwoorden op die vraag lieten niet op zich wachten.

Nu volgende maand een Europese top over de toetreding van Turkije stemt, wilde Nederland, als voorzitter, de zaak niet verder compliceren door nadrukkelijk de vraag op te werpen hoeveel islam Europa nu eigenlijk aankan.

Er is een EU-consensus die inhoudt dat lidstaten inzake de islamitische kwestie niet op elkaars tenen gaan staan, terwijl de toon, de praktijk en de context van land tot land sterk variëren. In Spanje zegt de socialistische premier José Luis Rodríguez Zapatero bijvoorbeeld dat hij de term `moslimterroristen' verachtelijk vindt, terwijl in Duitsland Otto Schily, de sociaal-democratische minister van Binnenlandse Zaken, zich tot islamitische fundamentalisten heeft gericht met de woorden: ,,Als u dan zoveel van de dood houdt, kunt u hem krijgen.'

Een derde, nogal onbehaaglijk, onofficieel antwoord is: het gevoel heerst dat het debat over de plaats van de islam in de Nederlandse samenleving – op zijn volstrekt open en openhartige, geëmotioneerde wijze – veel verder is gegaan dan elders in Europa, zowel in de eerlijkheid waarmee men zijn bezorgdheid uitspreekt als in de onbekommerdheid over woordkeuze en verantwoordelijkheid.

De complexe realiteit is dat hoewel de moord op Theo van Gogh werkelijk een aanslag was op het vrije woord in Europa – de moordenaar riep in een brief op tot de ondergang van Europa – het slachtoffer een provocateur was, die openlijk moslims met bestialiteit in verband bracht en die snoefde dat zijn extreme optreden zijn beste bescherming was.

De realiteit van het debat in de rest van Europa is dat men daar, in tegenstelling tot de Nederlanders, wel een gematigde toon, een consensus zoekt, maar gekweld wordt door angsten.

In Frankrijk, met de grootste islamitische bevolking van Europa, heeft Nicolas Sarkozy, de voormalige minister van Binnenlandse Zaken, die bij het vaststellen van de nationale agenda een politieke factor is geworden die opweegt tegen Jacques Chirac, vorige week de rechtstreekse vraag ontweken of de islam verenigbaar is met de geest van de Franse republiek.

Sarkozy heeft gezegd dat zich in Frankrijk zonder twijfel een verslechtering van de gelijkheid voordoet, en geopperd dat een of ander stimuleringsplan nodig zou kunnen zijn om de integratie van de moslims te bevorderen. Hij wil dat de staat, door middel van financiering van moskeeën, een islam op z'n Frans creëert.

Sarkozy noemde het niet, maar de achtergrond van dit alles is een vijf maanden geleden in Le Monde gepubliceerd rapport van de Franse binnenlandse veiligheidsdienst dat meldde dat het land zo'n driehonderd islamitische fundamentalistische enclaves telt, waar de Franse wetten en normen vrijwel geen rol spelen.

Maar toen de kwestie van de verenigbaarheid van de islam met de Europese opvattingen over bestuur en democratie – waarover in Nederland openlijk wordt gediscussieerd – ter sprake werd gebracht, zei Sarkozy: ,,Voor de kwestie van verenigbaarheid is het te laat. Of ik dat nu prettig vind of niet, de islam is de tweede godsdienst van Frankrijk. Wij moeten hem dus integreren door er een Franse islam van te maken.'

Zou dwang de juiste manier zijn, zoals Atatürk de almacht van de religie in Turkije te lijf is gegaan?

,,Laten wij de kracht van de republiek inzetten', zei Sarkozy.

,,Wat is het alternatief? Wat wilt u zeggen tegen vijf miljoen moslims die in Frankrijk wonen en die Frans zijn? Dat ze weer op de boot moeten stappen?'

Goed, de Nederlanders storten zich halsoverkop in het verenigbaarheidsdebat, waarbij een breed scala van politieke partijen zegt dat dit slechts mogelijk is als de moslims zich schikken naar een aantal eisen van de Nederlandse samenleving, maar misschien is het probleem in Nederland ook dat er geen welomschreven Nederlandse identiteit is waaraan immigranten worden geacht zich te conformeren, noch ook het idee dat de staat een bikkelharde kant heeft als tegenwicht tegen de Nederlandse verdraagzaamheid.

In het geval van de moord op Fortuyn – de man die de Nederlandse politiek volkomen heeft herschapen door met nadruk te stellen dat het legitiem was om de verenigbaarheid van de islam ter discussie te stellen – heeft de Nederlandse rechterlijke macht de moordenaar tot achttien jaar veroordeeld. In het twaalfde jaar van zijn detentie zal hij aanspraak kunnen maken op vervroegde invrijheidsstelling.

Wat het ontbreken van die harde kant betreft, wijzen Nederlanders ironisch op de pogingen van de binnenlandse veiligheidsdienst om het land gerust te stellen met de mededeling dat de extremisten niet meer dan vijf procent van de islamitische bevolking uitmaken.

Toen de Nederlanders dit even narekenden, concludeerden zij dat ze dus 50.000 minder prettige buren zouden hebben.

In deze dodelijke context komt de misère van het islamdebat in Europa hierop neer: er is zowel openhartigheid als behoedzaamheid nodig, in onbekende dosering – we kunnen niets beginnen met het globale recept 'één slok per patiënt'.

© New York Times syndicate

Rectificatie

Moord Fortuyn

In het opiniestuk Waarom zwijgt EU over Van Gogh? (9 november, pagina 1) schrijft John Vinocur, columnist van de International Herald Tribune, dat Pim Fortuyn is vermoord omdat hij het onderwerp islamistische immigratie uit de nationale taboesfeer had gesleurd. Dit is onjuist. De voor de moord veroordeelde Volkert van der G. heeft zijn daad nooit verbonden aan islamitische immigratie. Hij heeft verklaard Fortuyn om het leven te hebben gebracht omdat hij diens gehele gedachtegoed als ,,gevaar voor de democratische samenleving en in het bijzonder voor de zwakkeren in deze samenleving' zag. Als voorbeeld van deze zwakkere groepen heeft Van der G. asielzoekers, moslims en mensen met een WAO-uitkering genoemd.