Politici vinden openheid niet nodig

Nederlandse politici en hoge ambtenaren hoeven hun financiële belangen niet te verantwoorden. Dat kan beter, vindt bestuurskundige Huberts, hoogleraar aan de VU.

Nederland is erg terughoudend in het verschaffen van duidelijkheid over financiële belangen van politici en topambtenaren.

Dat zegt L. Huberts, bestuurskundige en hoogleraar integriteit van bestuur aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij reageert op de ophef in Noord-Brabant over nevenfuncties van de commissaris van de koningin Maij-Weggen (CDA).

Het Brabants Dagblad meldde dat Maij-Weggen drie bijbanen, waaronder een commissariaat bij de ING-bank, niet op de openbare lijst van nevenfuncties had geplaatst. Volgens de Provinciewet is dat verplicht. Provinciale Staten accepteerden vorige week de uitleg van Maij-Weggen. Haar cv op de provinciale internetpagina's was ,,door een ambtelijke omissie'' niet bijgewerkt. De pagina's op de website melden de bijbanen inmiddels wel.

De kwestie in Noord-Brabant past in een breder probleem, vindt Huberts. Volgens hem gaat de openbaarheid in Nederland, als onderdeel van het integriteitsbeleid, lang niet ver genoeg. ,,Dat hebben we slecht geregeld in verhouding tot andere landen.'' Huberts evalueerde het Nederlandse integriteitsbeleid in opdracht van de organisatie Transparency International, die wereldwijd onderzoek doet naar corruptie.

,,We hebben een onafhankelijke rechtspraak, een Rekenkamer, wetten tegen corruptie, regelingen voor nevenfuncties, een Nationale Ombudsman et cetera. Maar op enkele onderdelen voldoet Nederland niet aan de eisen die Transparancy International stelt. Zo is er een gebrek aan financiële openheid over vermogen en inkomen, nodig om mogelijke belangenconflicten te doorzien'', aldus Huberts.

Nederlandse politici en hoge ambtenaren hoeven geen enkele verantwoording af te leggen over hun financiële belangen. Regelingen voor registers voor het aannemen van giften en voor nevenfuncties, daar blijft het grofweg bij.

Nederland kent geen onafhankelijk instituut dat aan corruptiebestrijding en integriteitsbevordering doet. En ook voor de financiering van politieke partijen gelden nog maar weinig waarborgen gericht op openbaarheid en het tegengaan van belangenvermenging.

Strengere regels gericht op duidelijkheid over inkomen en vermogen zijn volgens Huberts tot nu toe afgewezen door de politiek, met een verwijzing naar de privacybescherming en de persoonlijke morele verantwoordelijkheid van politici.

,,Eigenlijk vindt men het met name voor zichzelf gewoon niet nodig'', aldus Huberts. ,,Een voorbeeld. De Tweede Kamer besloot na de kwestie-Bolkestein geen paal en perk te stellen aan nevenfuncties.'' In 1995 schreef de toenmalige fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer als commissaris voor het farmaceutische bedrijf MSD een `amicebriefje' naar minister Borst van Volksgezondheid over een zaak die dit bedrijf aanging.

Huberts: ,,Een gedragscode die dat zou kunnen regelen werd afgewezen.'' Dat betreurt Huberts. Lastig is ook dat de regels nogal verschillend zijn. Ministers en staatssecretarissen mogen geen bijbanen hebben. Commissarissen van de koningin, burgemeesters, gedeputeerden en wethouders mogen dat wel.

Huberts ziet de gemeente Amsterdam als een van de positieve uitzonderingen. BenW hebben daar een duidelijke gedragscode en men is strikt en terughoudend wanneer het om nevenfuncties gaat.

Huberts is voorstander van een nog verdergaande openheid. Nederland zou de Verenigde Staten niet moeten kopiëren, maar dit land biedt wel een voorbeeld van hoe het ook kan. ,,Je kunt op de websites van het Center for Public Integrity en het Office of Government

Ethics het financial disclosure-formulier opvragen van politieke en ambtelijke topfunctionarissen. Dan zie je precies wat voor nevenfuncties, welke inkomsten en welk vermogen ze hebben.''