Ons dollarprobleem

Geen waarde wispelturiger dan een vrije wisselkoers. Vorige week werd nog alom voorspeld dat de Amerikaanse dollar vooral zou lijden onder een onduidelijke uitkomst van de Amerikaanse presidentverkiezingen. Maar nadat woensdagmiddag president Bush al zeker was van zijn herverkiezing, is de munt alsnog weggezakt. De pijngrens voor de euro komt snel dichterbij. Europa moet het in deze fase van zijn economisch herstel nog steeds hebben van de export, en die lijdt onder de waardestijging van de eigen munt.

President Trichet van de Europese Centrale Bank zag zich gisteren dan ook gedwongen verbaal in te grijpen. Door de verzwakking van de dollar `bruut' en `onwelkom' te noemen, wist hij de val van de munt op de valutamarkten te stuiten. Net als in januari van dit jaar, toen hij dezelfde woorden met succes gebruikte. Ook toen naderde de euro de 1,30 dollar.

In een stelsel van vrij zwevende wisselkoersen moeten fluctuaties voor lief worden genomen. Het probleem is dat de wereldeconomie zo'n stelsel in de praktijk slechts gedeeltelijk kent. Het gros van de Latijns-Amerikaanse landen heeft zijn munt formeel of informeel aan de dollar gekoppeld. Dat geldt eveneens voor het Midden-Oosten. China en Hongkong kennen een vaste koppeling, en in vrijwel alle andere Aziatische landen, Japan en Zuid-Korea voorop, wordt de eigen munt met grootschalige steun, zo goed en kwaad als het gaat aan de dollar vastgeklonken.

De euro maakt vanuit de Verenigde Staten bezien maar een derde uit van de naar handel gewogen koers van de dollar. Maar omdat de euro, samen met een handjevol andere valuta's als het pond sterling en de Canadese dollar, de enige munt is met bewegingsvrijheid, drukt elke aanpassing van de dollarkoers buitenproportioneel op de schouders van de Europese munt. Wat hier in Europa een verzwakking van de dollar heet, zou beter een verharding van de euro tegenover de rest van de wereld kunnen worden genoemd.

Hoewel Trichet in principe gelijk heeft dat hij nu optreedt, zijn diens mogelijkheden beperkt. De volgende stap is het dreigen met of uitvoeren van interventies op de valutamarkt. Daarbij zouden dollars gekocht worden en euro's verkocht om de dollarkoers te steunen. Maar alleen kan de Europese Centrale Bank dit niet. De kans op een mislukking van een unilateraal optreden is groot, en daarna is de munitie op.

In het verleden hadden interventies alleen succes als die samen met de Verenigde Staten werden uitgevoerd. Maar op dit moment is nauwelijks sprake van een gemeenschappelijk Europees-Amerikaans belang op het gebied van economische politiek. Zolang de VS hun dubbele tekort op zowel de begroting als de betalingsbalans niet inperken, zal de dollar onder druk staan. Waar wel een gemeenschappelijk belang bestaat, is tegenover Azië. Landen als China, maar ook de omringende economieën, willen als volwaardig lid van de wereldeconomie worden aanvaard. Dan moeten zij ook hun verantwoordelijkheid nemen, en via een werkelijk zwevende wisselkoers hun deel van een dollaraanpassing op zich nemen. De VS en Europa moeten in G7-verband daar krachtiger voor pleiten dan zij tot nu toe hebben gedaan. Want anders blijft de dollar, zoals het gezegde gaat, een Amerikaanse munt – en ons probleem.