Laatste brief aan mijn vriend

Beste Theo

Het vreemde is, goede vriend, dat ik nog steeds niet precies weet waarom je bent afgeslacht. Waren het je artikelen? Waren het je films? Was het je visie op de Islam? Ik weet het niet. Er staken twee messen uit je lijf. Aan één zat een brief geprikt. Niet aan jou gericht, maar aan de politica Ayaan Hirsi Ali met wie jij samen het cinematografische pamflet Submission hebt gemaakt.

Daar zit iets tragisch in. De eerste Europese rituele slachtpartij op jou lijkt bedoeld om Ayaan iets duidelijk te maken wat ze al wist.

De discussie hier gaat nu over de vrijheid van meningsuiting, of je niet te ver bent gegaan, of `wij' niet naïef zijn geweest ten aanzien van `hen' – geen woord over de inhoud van de film die jij met Ayaan hebt gemaakt. Geen woord over de onderdrukking van de moslimvrouwen. Geen woord over de werkelijke betekenis van de aanslag op jou.

Nederland – je zei het zelf vaak – is verward.

De intellectuelen vragen zich nu hardop af of ze zelf ook niet `te ver' zijn gegaan. Ik heb geen idee wat ze bedoelen. Want waren ze maar eens te ver gegaan! Ze roepen nu op tot `kalmte' waarmee ze bedoelen dat we ons woordgebruik dienen aan te passen. We mogen niet meer schelden, zeggen ze, want de verbale kwetsuren die wij `bepaalde moslims' hebben aangebracht (je ziet, ik voeg me al naar de nieuwe vocabulaire en ik hoor je verwijt dat ik `wéér' geen ruggengraat vertoon) zouden geleid hebben tot jouw moord. De vraag of jij met je geniale gescheld niet terecht iets hebt blootgelegd dat de anderen niet wilden zien – je hebt vreselijk gelijk gekregen en niemand die het je, nu je dood bent, kan vertellen – wil men liever niet beantwoorden. Zelfs de meest gezaghebbende opinieleiders van ons land menen toch dat het `min of meer je eigen schuld' is. Het zijn, Theo, wat wij vroeger wel de aanhangers van de verkrachters-theorie noemden. `Mevrouw heeft de verkrachting zelf uitgelokt omdat ze zo'n kort rokje droeg.' Zo ben jij door je gescheld tegen fundamentalistische moslims ook nog eens zelf schuldig aan de moordaanslag die op jou is gepleegd.

Jij zou er om gelachen hebben – mij stemt het bitter.

Ondertussen zijn twee parlementsleden ondergedoken en dus hun democratische plicht niet naar behoren kunnen vervullen. Ondertussen worden `harde maatregelen' aangekondigd. Ondertussen praten we over de rechtsstaat op een manier alsof die gestolen is en we begrip moeten opbrengen voor de dader. We zijn verward, zoals ik al zei. En ik hoorde op de radio al iemand zeggen: `Ik begrijp ook wel dat de minister niet kan zeggen: beste mensen, ik weet het nu ook niet meer, zegt u het maar.'

We waren beiden jongens uit de jaren zestig en zeventig. De nuance zat als het ware in ons. We discrimineerden niet, we generaliseerden niet, we waren voor een open, vrije samenleving. Jij bent één van de eersten die zag dat het mis ging. Dat niet wij hen discrimineerden, maar zij ons. Dat wij niet hun geloof wilden verbieden, maar zij wel onze ongodsdienstigheid. (Via de redenering: alle ongelovigen zijn joden, alle joden zijn ongelovig – het staat bijna letterlijk in de brief die uit je buik stak.)

En wat nu?

Ik weet het ook niet. Wat doe je als je verward bent? Wat moet een samenleving doen die verward is?

Doen wat wij deden, denk ik: het debat blijven zoeken. Fijnzinnig, en als dat niet lukt, dan maar smakeloos!

Smakeloos, maar met stijl.

Theodor Holman is schrijver, porgrammamaker en columnist. Deze laatste brief aan zijn vriend schreef hij op uitnodiging van Die Welt.