Geschiedenis: minder identiteit, meer oriëntatie

De eerste `Week van de Geschiedenis' blijkt vooral pleidooien voor meer vaderlandse geschiedenis te hebben afgescheiden. Ons collectief verleden geeft ons houvast en gevoel van continuïteit, beweerde ook cultuurhistoricus Jeroen Vanheste weer in `Het leven is arm zonder geschiedenis' (NRC Handelsblad, 1 november).

Mij lijkt juist dat meer aandacht voor en kennis van de wereld ons meer houvast geeft, want een gevoel van oriëntatie: waar staan we in de wereld en wat kunnen we verwachten. Met al dat halfzachte, romantische gepraat over `nationale identiteit' lijken wij krampachtig te ontkennen dat de toegenomen internationale communicatie en samenwerking onze kijk op de wereld en daarmee op de geschiedenis automatisch veranderd hebben. Werd in de eerste helft van de 20e eeuw nog vooral vanuit afzonderlijke landen naar de wereld gekeken, tegenwoordig kijken we meer vanuit de wereld naar afzonderlijke landen. Het begrip `nationale soevereiniteit' ligt niet voor niets voortdurend onder vuur.

Die perspectiefwisseling tekent zich internationaal ook af binnen het vak geschiedenis. Historici kiezen vaker voor een bovennationaal of mondiaal perspectief `Wereldgeschiedenis' wordt vooral gepromoot door William McNeill en David Christian. Bovennationale thema's (demografie) en algemeen menselijke neigingen (religie!) worden meer op waarde geschat en overeenkomsten tussen landen en volken benadrukt i.p.v. verschillen.

Het lijkt Nederlandse musea, een radioprogramma als `Onvoltooid Verleden' en het `Historisch Nieuwsblad' te ontgaan. Ook in onze schoolmethodes zijn anderhalve pagina VN en Europese integratie al een luxe. En op onze universiteiten zijn het slechts enkelingen die er zich mee bezighouden (in Amsterdam dan wel vanuit een evolutionair perspectief, waarbij `Wereldgeschiedenis' en de `biologisering van het wereldbeeld' samenkomen). Ik zou alle romantici onder de Nederlandse historici willen toeroepen: wordt eens wakker en gooi de ramen open!