Geschiedenis is meer dan een spelletje

De aandacht in de media voor geschiedenis staat in schril contrast met de verwaarlozing van het onderwijs, vindt Hans Blom. Stel een minimum aan lesuren vast en bepaal wat iedereen zou moeten weten.

Het gaat goed met geschiedenis in Nederland. Heel goed zelfs. De week van de geschiedenis was vorige week een doorslaand succes. De openingsdag, tevens nationale archievendag, bracht honderden geïnteresseerde bezoekers in alle archieven van Nederland. De nacht van de geschiedenis in Madurodam met tal van parallelsessie's was stampvol. De verkiezing van de `grootste Nederlander' trekt grote belangstelling en roept debat op welke eigenaardigheden er ook aan dit quasi-spelletje mogen kleven.

Dat alles is geen geïsoleerd incident, een in één week geconcentreerde door de media uitgelokte vlam in de pan, waarna er van deze historische belangstelling niets meer vernomen wordt. Al jarenlang verheugen de archieven zich in grote stromen belangstellenden. Dat zijn niet alleen beroepshistorici en studenten, maar ook vele liefhebbers op zoek naar gegevens over hun bijzonder object van belangstelling, hun eigen familie, of speciale hobby. De musea, ook de historische musea, worden druk bezocht en nog steeds gaan stemmen op in ons al zo museumdichte land nog weer nieuwe musea te stichten, met de discussie over een Nationaal Museum als kernvraag. In de media is constante brede aandacht voor geschiedenis waar te nemen: van nationale geschiedenisquiz tot een vast historisch programma Andere Tijden op primetime op de televisie, via het onvolprezen zondagochtendprogramma OVT op de radio tot vele achtergrondstukken in dag- en weekbladen. De ruime boekproductie met betrekking tot historische onderwerpen krijgt brede aandacht via recensies. Tal van gebeurtenissen worden jaarlijks herdacht of bij jubilea gevierd. Ook in academisch opzicht floreert het vak.

Op zich is dit niet zo verwonderlijk. Historisch bewustzijn, zo merkte Van Deursen onlangs nog weer eens op, is wellicht wel het meest wezenlijke punt waarin de mens zich van (andere?) dieren onderscheidt. De natuurlijke neiging zichzelf en de collectiviteit waar men zich deel van voelt, in een continuïteit (en dus met een verleden en een toekomst) te plaatsen, heeft zich altijd direct of indirect in belangstelling voor geschiedenis geuit. En nu de wereld er in vele opzichten zo mogelijk nog verwarrender uitziet dan altijd al het geval was, neemt die neiging naar het verleden te kijken (vaak met een zorgelijk oog op de toekomst) toe. De natie, gevoelsmatig voor velen naast de familie toch het voornaamste kader van loyaliteit, lijkt een onzekere toekomst tegemoet te gaan. `Waar staan we?' is een klemmende vraag. Het is goed dat die vraag zo centraal en direct gesteld wordt.

Toch is er één opmerkelijk negatief contrapunt. En dat is geschiedenis op onze scholen. Juist daar waar de basis voor een inhoudelijk zorgvuldig historisch bewustzijn gelegd zou moeten worden, is sprake van schromelijke verwaarlozing. Sinds de invoering van de Mammoetwet in de jaren zestig is een proces van afbraak van het vak ingezet, af en toe door een korte opleving onderbroken, waartegen de geschiedenisleraren niet kunnen opboksen. Deze frontstrijders voor het historisch besef leveren een gevecht tegen de bierkaai van afbrokkeling van uren en aantasting van de zelfstandigheid van het vak. Waar geschiedenis net als de moedertaal met het oog op de kwaliteit van zowel het individuele leven als de samenleving van wezenlijk belang is, laten de verantwoordelijke bestuurders en politici het vak verkommeren. In vele onderwijsvormen wordt het vak niet meer verplicht gegeven. Waar dat nog wel het geval is, is het tot minuscule omvang teweeggebracht. Ik aarzel niet dat een nationaal schandaal te noemen.

Terwijl het zo simpel is. Onze ministers en ons parlement hoeven slechts twee eenvoudige beslissingen te nemen die als randvoorwaarden voor elk onderwijs zouden moeten gelden. Ten eerste: voor elke vorm van onderwijs, op elk niveau en voor elke leeftijdsklasse is een minimum aan geschiedenis verplicht, bijvoorbeeld het equivalent van drie lesuren per week. Ten tweede: een canon, dat wil zeggen een minimum aan gemeenschappelijke gestructureerde kennis, wordt als uitgangspunt voor dat geschiedenisonderwijs vastgesteld. Die canon dient voortdurend ter discussie te staan, kan periodiek dus ook aangepast worden en mag aangevuld worden. Daarboven staat het leraren en scholen vrij eigen stof te doceren. De door de commissie De Rooy ontworpen canon voor de Nederlandse geschiedenis is een prima uitgangspunt (zie ook het artikel van Bank en De Rooy in NRC Handelsblad van 30 oktober). Er zou een soortgelijk document voor de algemene geschiedenis naast gezet moeten worden.

Zo'n constructie laat zich goed combineren met vergrote zelfstandigheid van scholen in het feitelijk onderwijs. De hele onderwijskundig-bureaucratische moloch, die zich tussen beleid en school heeft genesteld, is daarbij overbodig. De geschiedenisleraren zijn volledig competent en er zijn ruim voldoende goede vakdidactische producten op de markt om dit varkentje te wassen als de noodzakelijke randvoorwaarden worden geschapen. Het argument dat dit in het licht der vakkenconcurrentie onmogelijk zou zijn, getuigt van onvoldoende onderscheidingsvermogen en angst om te beslissen. Ten aanzien van Nederlands wordt het overigens nooit gebruikt. Daarom roep ik de politici, ministers (en niet alleen die van Onderwijs), Kamerleden en partijbestuurders op hun verantwoordelijkheid nu eindelijk te nemen en het geschiedenisonderwijs ten bate van de samenleving uit het slop te halen waarin men het zo vele jaren heeft gelaten. Maak een eind aan deze schuldige verwaarlozing! En ik roep iedere burger op elke politicus die zich bij plechtigheden in positieve bewoordingen over geschiedenis en het belang om niet te vergeten uitspreekt, voor te houden dat dit loze praatjes zijn als dat gepaard gaat met verwaarlozing van het geschiedenisonderwijs dat de basis moet leggen voor een zinvol gesprek over het verleden in onze samenleving.

J.C.H. Blom is directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD).