Euthanasie behoeft verzoek

Levensbeëindiging door artsen zonder verzoek van de patiënt blijft moord. Dit heeft de Hoge Raad vanmiddag bepaald in de geruchtmakende zaak van de Amsterdamse huisarts W. van Oijen.

De zaak-Van Oijen representeert een grote categorie sterfgevallen. Volgens het grootschalige euthanasieonderzoek van de hoogleraren Van der Maas en Van der Wal beëindigen artsen nog altijd circa 900 keer per jaar levens van patiënten die daarom niet vroegen.

Van Oijen beëindigde in 1997 het leven van een onder ontluisterende omstandigheden stervende vrouw. Zij kon daarom zelf niet vragen, omdat zij in coma lag. Van Oijen bood haar kinderen aan de vrouw te helpen sterven en injecteerde een spierverslapper. Het Amsterdamse gerechtshof verklaarde Van Oijen vorig jaar schuldig aan moord en legde hem een symbolische straf, een week voorwaardelijke celstraf op.

Van Oijen rekent zijn handelen tot de `stervenshulp'. Zijn raadslieden noemen zijn zaak een `schijngestalte' van euthanasie. Van Oijen zou zich in de acute, ontluisterende stervensscène in een noodtoestand hebben bevonden. Juist omdat het verzoek tot levensbeëindiging door de patiënt toen niet meer kon worden gedaan, terwijl dat verzoek volgens de zorgvuldigheidseisen uit de euthanasiewetgeving zo cruciaal is, kón de zaak-Van Oijen volgens de verdediging niet als een euthanasiezaak worden beoordeeld.

De Hoge Raad stelt nu dat het hof het beroep op noodtoestand door de huisarts terecht heeft verworpen.

Volgens het hoogste rechtscollege kan het lijden van de patiënte niet ondraaglijk worden genoemd, aangezien zij in coma lag en niet op pijnprikkels reageerde. Ook mag ,,de erbarmelijke toestand waarin de patiënte verkeerde, gelet op haar zeer korte levensverwachting, niet doorslaggevend zijn.'' Dit betekent volgens de Hoge Raad ,,dat er hier niet zulke dringende omstandigheden waren dat de arts een beroep op noodtoestand toekomt''.