Democraten: hoe nu verder?

De verkiezingsnederlaag van de Democraten in Amerika dreunt na in de partij. De kopstukken trekken conclusies. Maar met welke leider en welke koers de partij verder moet is voorlopig onduidelijk.

John Kerry keert volgende week terug in de Senaat en is van plan een vooraanstaande rol te spelen in de oppositie tegen de tweede regering-Bush. Hij sluit een hernieuwde kandidatuur voor het presidentschap in 2008 niet uit.

Het nieuws werd vanmorgen door medewerkers van de onsuccesvolle Democratische presidentskandidaat via The Washington Post verspreid. Het was nog te vers voor reacties van belang, maar het is de vraag of de komende dagen veel vlaggen uitgaan voor de bijna-president van vorige week.

Waarschijnlijk zal de mate van stilte rond de fiere aankondiging de beste aanwijzing zijn van wat Democraten werkelijk denken. Het is een veilige gok dat de meeste gewone leden en kiezers te zeer verkiezingsmoe zijn om over enige kandidatuur na te denken. En de partijkopstukken hebben, zelfs als zij niet dromen van een eigen kandidatuur, voorlopig andere conclusies getrokken uit de nederlaag.

De Democratische partij heeft een traditie in het laten vallen van mislukte presidentskandidaten. Michael Dukakis (1988) is spoorloos van het toneel verdwenen. Al Gore's steun voor Howard Dean, de aanvankelijke koploper in de Democratische voorverkiezingen, werd door velen gezien als de kus des doods. Hij haalde gisteren de krant met de oprichting van een milieubewust beleggingsfonds.

John Kerry heeft het voordeel dat hij voorlopig niet hoeft te vragen om een nieuwe opdracht. Hij is senator, al heeft hij de laatste twee jaar zijn gezicht weinig laten zien de doodgelopen weg naar het Witte Huis heeft hem twee jaar air miles laten verzamelen. Kerry's huidige senaatstermijn loopt tot begin 2009, net als de tweede ambtstermijn van George W. Bush.

Zowel ingezonden-brievenschrijvers als partijkopstukken en commentatoren hebben vrij duidelijk gemaakt waar Kerry tekortschoot: hij is er nooit in geslaagd met gewone kiezers een vertrouwensband te smeden. Dat hij niet makkelijk over zijn God praatte, hielp ook niet. Een pseudo-objectieve manier om dat te zeggen is dat opnieuw is gebleken dat een Democratische kandidaat die niet uit het zuiden komt, geen kans maakt.

Harold Myerson, oud-hoofdredacteur van The American Prospect, een progressief maandblad, schreef gisteren in The Boston Globe een analyse, die hout leek te snijden. `Liberals: Go Red, Not Right' stond erboven. Vrij vertaald: `Progressieven, vraag je af waarom 51 procent van de kiezers Bush hebben gestemd, maar schuif niet op naar rechts.'

Volgens Myersons analyse heeft Bush meer kiezers aan zich gebonden door hun sociaal en cultureel conservatisme te delen. Dat wil niet zeggen dat zijn beleid zo veel bijval kreeg. ,,52 procent in Florida stemde Bush, maar 72 procent stemde voor verhoging van het minimumloon.'' In Nevada gebeurde iets dergelijks. Met andere woorden: men koos de man Bush, maar lang niet altijd het beleid-Bush, zeker niet op economisch terrein.

De klap kwam voor de Democraten vorige week extra hard aan omdat zij per saldo ook vier senaatszetels verloren, waaronder die van hun leider Tom Daschle.

De Republikeinen hebben er nu 55 van de 100. Dat betekent dat zij maar vijf Democraten (of zo veel meer als zij zelf overlopers hebben) nodig hebben om alles te doen wat zij willen. Alleen met eindeloos doorpraten (een filibuster) kan een minderheidspartij in de Amerikaanse Senaat beslissingen tegenhouden. De meerderheid kan besluitvorming slechts afdwingen met 60 stemmen.

Zwartgallige Democraten voorzien al dat president Bush op korte termijn een of meer ultraconservatieve rechters in het Hooggerechtshof zal proberen te benoemen. En terug zal komen met zijn energieplan dat olie boren in het Arctic National Wildlife Reserve inhoudt een maatregel die de Democraten tijdens de vorige Bush-termijn konden tegenhouden door te dreigen met een filibuster.

Voor Democraten in de Senaat is het een groot dilemma: met alle procedurele middelen strijden voor het milieu, voor behoud van de sociale zekerheid, voor een Hooggerechtshof dat het recht op abortus in stand houdt? Of het Republikeinse verwijt van `obstructie' ontlopen door te accepteren dat George W. Bush de komende vier jaar president is en punten van overeenstemming te zoeken?

De president heeft al laten weten dat hij best met de overzijde wil samenwerken, mits op zijn voorwaarden. De keiharde en persoonlijke campagne in South Dakota, die fractieleider Tom Daschle zijn zetel heeft gekost, wordt nu als waarschuwing gebruikt tegen andere Democratische Congresleden uit `rode' streken, districten waar een Republikeinse meerderheid bestaat of dreigt te ontstaan.

Voorlopig zullen de Democraten waarschijnlijk een rondje moeten knokken over de vraag of zij hebben verloren door te veel of door te weinig naar rechts op te schuiven. De Howard Dean-vleugel meent dat de Democraten een veel duidelijker alternatief waren geweest als zij consequent oppositie tegen de oorlog en de economische bevoordeling van de rijksten hadden gevoerd.

Anderen, los georganiseerd rond de Democratic Leadership Council, Bill Clintons vehikel in 1992, menen dat voor Democraten alleen macht is te winnen als zij door het centrum regeren, met een kandidaat uit het zuiden of het midden-westen. Dat laatste criterium sluit de veel genoemde Hillary Clinton, nu senator voor New York, eigenlijk uit. Zij kan zich nog zo gematigd opstellen, zij mist de uitstraling van het `heartland'.

Sommigen zien maar één oplossing voor alle Democratische kwalen: een man die nog aan zijn senaatscarrière moet beginnen, de 43-jarige Barack Obama, de Afrikaans-Amerikaanse jurist die met ruim 70 procent zijn zetel in Illinois binnensleepte en genoeg geld ophaalde om zittende senatoren een handje te kunnen helpen. Hij spreekt zwarten en blanken aan met een modern soort sociaal-democratische boodschap, waarin God geen vreemde is. Hij komt alleen niet uit het zuiden.