Wat ligt ten grondslag aan moord op Van Gogh?

Met de moord op Theo van Gogh is voor veel autochtone Nederlanders het definitieve bewijs geleverd: islamitische en westerse waarden staan haaks op elkaar. Het discours in Nederland is sinds enkele jaren steeds meer op assimilatie en steeds minder op integratie gericht. Eerst was er Fortuyn die zijn licht deed schijnen over multicultureel Nederland, en al rap volgden mensen als Herben, Ephimenco, Van Aartsen, Ellian en Wilders. Zij propageerden openlijk dat de integratie van moslims is mislukt, en dat integratie met behoud van eigen identiteit onmogelijk is. Allerlei aspecten van het leven van moslims werden opeens geproblematiseerd: partnerkeuze, uiterlijke religieuze symbolen, de bouwstijl van moskeeën, islamitisch onderwijs en besnijdenis. Vrouwenonderdrukking en jihad werden als vanzelfsprekend aan alle moslims in Nederland en elders gekoppeld, door toedoen van bijvoorbeeld Hirsi Ali. Zij toonde zich samen met Van Gogh bedreven in het ridiculiseren van de islam: de profeet Mohammed werd gebombardeerd tot `pedofiel' en zijn volgelingen tot `geiteneukers'.

De islamitische bevolking heeft dit discours als uitermate grievend ervaren. Moslims voelen zich begrijpelijkerwijs gemarginaliseerd en gecriminaliseerd, vooral de in Nederland geboren en getogen moslims. Dit is natuurlijk niet vreemd: in tegenstelling tot hun ouders beheersen deze jongeren de Nederlandse taal en kunnen daarom begrijpen wat er in het publieke debat wordt gezegd. De (vooral jongere) moslims voelen zich door de Nederlandse samenleving ontkend en uitgekotst. Om de marginalisering van hun islamitische identiteit goed te maken, worden zij er ontvankelijk voor om die identiteit juist te overdrijven. Het is wetenschappelijk erkend dat marginalisering tot radicalisering leidt. De radicalisering van een handjevol moslims in Nederland is dus een gevolg van het assimilatiedebat, niet de oorzaak ervan. Wat zich de afgelopen jaren in Nederland heeft afgespeeld, is in dit opzicht een self-fulfilling prophecy te noemen: men roept dat de islam radicaal en verwerpelijk is, en warempel, de islam radicaliseert in sommige (kleine) kringen. Vervolgens roept men met terugwerkende kracht: zie je wel, wij hadden meer dan gelijk!

Dat brengt ons bij het tweede probleem: de islamitische organisaties in Nederland. Deze organisaties onderkennen onvoldoende het ongenoegen in hun achterban over kwetsende uitlatingen over hun geloof. Zij doen niet genoeg om harde standpunten over de islam op legitieme wijze te bestrijden en zo de frustratie van hun achterban te kanaliseren. Deze achterban ziet alleen dat Den Haag hun leiders op elk gewenst moment kan ontbieden om schuld te belijden voor de daad van een individuele moslim. Hun leiders zijn geen krachtige vertegenwoordigers, maar vooral allochtone teddybeertjes. Deze Uncle Tom's hebben hun geloofwaardigheid goeddeels verspeeld onder vooral moslimjongeren.

Precies op dit punt ruiken de paar extremistische organisaties in Nederland hun kansen. De radicale islam van deze organisaties biedt teleurgestelde jongeren een andere, wél krachtige stem. Deze groeperingen hebben slim ingespeeld op het unheimische gevoel van moslimjongeren door hapklare antwoorden te bieden. Het is niet voor niets dat een duidelijk verband bestaat tussen het ontbranden van het assimilatiedebat en de groei (hoe miniem ook) van radicale groeperingen in Nederland.

Het is tijd om bewust te worden van zulke fundamentele oorzaken die ten grondslag liggen aan bijvoorbeeld de moord op Van Gogh. Het alleen maar roepen dat `de islam het probleem is' of het anderszins criminaliseren van de islam, en het door islamitische organisaties niet daadkrachtig bestrijden van zulke generaliserende wanklanken, leiden op langere termijn tot een verergering van het probleem. Het bestrijden van de meest structurele oorzaken van de moord op Van Gogh is geen vergoelijking ervan, maar juist het meest elementaire veiligheidsbeleid dat er is. Het is de enige manier om soortgelijke daden in de toekomst te voorkomen. Het behandelen van een ziekte begint immers bij het stellen van een juiste diagnose.

Sultan Gün is jurist en oud-voorzitter Stichting Talent. Fadi Hirzalla is politicoloog en voorzitter van Ipso Facto.