Schitteren in hartje New York

De paus, Marilyn Monroe, de Rolling Stones en Muhammad Ali. Allen hebben ooit opgetreden in Madison Square Garden in New York. De hal en Manhattan hebben al meer dan 130 jaar een hechte band.

Elvis bracht er fans heupwiegend in extase, Jimi Hendrix gaf er een van zijn laatste concerten, John F. Kennedy werd er op zijn verjaardag ooit toegezongen door Marilyn Monroe, George W. Bush liet zich er recentelijk nomineren tot presidentskandidaat, maar Madison Square Garden heeft vooral bijgedragen aan de legendevorming van sporters. Muhammad Ali, Nadia Comaneci, Patrick Ewing, Jimmy Connors, Carl Lewis en Wayne Gretzky zijn de stad New York op z'n minst enige dank verschuldigd.

Bekeken vanaf 7th Avenue mist Madison Square Garden de grandeur die je mag verwachten bij een befaamde sportarena. Het omvangrijke gebouw wordt aan het zicht onttrokken door het nóg grotere kantorencomplex Pennsylvania Plaza van 29 verdiepingen. En een argeloze passant die zijn blik niet toevallig omhoog heeft gericht, zal de naam op het dak van de entree snel over het hoofd zien. Op 8th Avenue, aan de achterzijde, zijn de contouren van de beroemde hal wel pregnant zichtbaar.

Eenmaal binnen blijkt de opzet, geheel naar Amerikaanse opvattingen, zeer ruim, al heeft de architect bij het ontwerpen van de ingang functionaliteit laten prevaleren boven een warme ontvangst. In de boezem van het gebouw maken de vriendelijkheid van het personeel en de comfortabele leren zittingen van de fleurige stoeltjes veel van de eerste teleurstelling goed. Desondanks blijft Madison Square Garden een betonnen bak, waar de warmte moet komen van de artiesten en de sporters.

In omvang is Madison Square Garden wel imposant. In de arena, onder een cirkelachtig plafond dat is gebouwd volgens de bruggenbouwtechniek, omzomen 22.234 zitplaatsen een betonnen vloer, die multifunctioneel gebruikt kan worden. Waar donderdagavond nog fans van de rockgroep R.E.M. dansten, begonnen twee dagen later de basketballers van New York Knicks het NBA-seizoen met hun (verloren) home-opener tegen Boston Celtics. En zaterdagavond volgt de Night of the Fight, een boksgala voor zwaargewichten als Evander Holyfield, van promotor Don King, die bekendheid geniet vanwege zijn grijze, excentrieke haardos.

Maar zijn magie ontleent Madison Square Garden, tegenwoordig eigendom van de mediabedrijven Cablevision en Fox, vooral aan de stad New York in combinatie met de locatie in downtown Manhattan. New Yorkers claimen de verhevenheid van het aardse bestaan en dragen die fascinatie altijd met zich mee, dus ook als zij Madison Square Garden bezoeken. En waar sporters voor het vertonen van hun kunsten tegenwoordig steeds vaker naar buitenwijken worden verdreven, laat New York zijn artiesten midden in het leven acteren. De hal is onafgebroken omgeven door een mierenhoop aan mensen, zodat je bij het verlaten van Madison Square Garden onmiddellijk weer wordt meegezogen door het fluïdum van een onstuitbare stad.

De hechte band met Manhattan bestaat al meer dan 130 jaar en werd gesmeed door P.T. Barnum, die in 1873 op de hoek van 4th Avenue en 26th Street een oud treindepot huurde en het verbouwde tot een groot Romeins Hippodrome voor 10.000 toeschouwers om er circusvoorstellingen te geven. Dat kwam in 1875 tot een eind, omdat een zekere Sarsfield Gilmore de huur overnam voor het houden van missverkiezingen, bloemenshows, hondenshows en danswedstrijden. Hij gaf het complex op een hoek van Madison Square Park de naam Gilmore's Garden.

Treinmagnaat William K. Vanderbilt komt de eer toe de naam Madison Square Garden te hebben bedacht. Hij werd in 1879 eigenaar, knapte het openluchttheater op en liet het als eerste gebouw in New York van elektriciteit voorzien. Vanderbilt zag de zaken destijds al groot en liet tien jaar later de `Garden' vertimmeren tot een evenementenhal met een theater met 12.000 zitplaatsen, een auditorium voor 8.000 mensen en een concerthal voor 1.500 bezoekers. Daarnaast liet hij er het grootste restaurant van de stad bouwen, met een Roof Top Garden, waar in 1906 de ontwerper, architect Stanford White, na een ruzie met ene Harry K. Thorwe ironisch genoeg werd doodgeschoten.

Nadat Madison Square Garden in 1916 in handen kwam van verzekeringsmaatschappij New York Life Insurance Cooperation werd tien jaar later het voortbestaan bedreigd. Als een zekere Tex Rickard in 1925 niet had besloten tot herbouw aan de 49th Street was Madison Square Garden voorgoed versmolten tot het hoofdkantoor van de verzekeraar. Rickard opende de deuren van de nieuwe hal ook voor sporters door basketbal, worstelen en ijshockey aan het programma toe te voegen. Met succes, want in 1928 wonnen de ijshockeyers van de New York Rangers hun eerste Stanley Cup in Madison Square Garden. Na collegebasketbal volgde in 1946 het debuut van profbasketbal met de eerste wedstrijd van de New York Knickebockers.

In de jaren vijftig kende Madison Square Garden hoogtijdagen voor de sport met drukbezochte wielerzesdaagsen, atletiekwedstrijden, boksgevechten en worstelevenementen. Het succes bracht de eigenaar tot het besluit een nieuw, ultiem sport- en entertainmentcomplex te bouwen. Als locatie werd gekozen voor de huidige plek boven Pennsylvania Station. Naast de grote sportarena kwamen er een theater voor 5.270 toeschouwers, een ruimte voor 48 bowlingbanen en een kantorencomplex.

Hoezeer Madison Square Garden al in trek was bij grote namen, na de opening in februari 1968 was er sprake van een hausse, vooral onder rockartiesten en boksers. Elvis, de Rolling Stones, John Lennon en Yoko Ono, Led Zeppelin, Pink Floyd, Jimi Hendrix, Bob Dylan en Frank Sinatra speelden er voor volle zalen. En Muhammad Ali bokste er twee memorabele partijen tegen Joe Frazier. In 1971 verloor hij het gevecht, dat werd gepresenteerd als de `match van de eeuw' en 18 miljoen dollar aan televisie-inkomsten opbracht; voor die tijd een exceptioneel bedrag. In 1973 volgde Ali's revanche toen hij Frazier in een gevecht om de wereldtitel wél versloeg.

Sindsdien laten bokspromotors Madison Square Garden steeds vaker links liggen. Tot teleurstelling van Bruce Silverglade, de eigenaar van New Yorks beroemdste boksschool Gleason's Gym. ,,Boksen is niet meer `a big thing' voor Madison Square Garden; basketbal en ijshockey zijn belangrijker geworden'', zegt hij. ,,Jammer, omdat New York een boksstad is, er altijd veel en deskundig publiek komt kijken en Madison Square Garden wereldwijd een grote reputatie heeft. Maar de casino's in Las Vegas en Atlantic City concurreren door geld toe te geven en alle verblijfskosten te betalen. Voor een gevecht in Madison Square Garden moet je alleen al voor het openen van de deuren 200.000 dollar meebrengen.''

Met de komst van Patrick Ewing in 1983 naar de New York Knicks kwam de nadruk nog meer op basketbal te liggen. Madison Square Garden werd hét huis van de speler die bij leven al een legende is. Na bijna twintig jaar kwam er een eind aan zijn era en hangt, volgens goed Amerikaans gebruik, Ewings shirt met rugnummer 33 als een relikwie in de nok van de hal.

En Ewing is niet de enige legende wiens naam verbonden blijft aan Madison Square Garden. Dat geldt ook voor de Canadese ijshockeyer Wayne Gretzky, die zijn indrukwekkende carrière afsloot bij de New York Rangers. Hij werd in 1999 bij zijn laatste wedstrijd in Madison Square Garden met een historische ovatie met pensioen gestuurd.

Maar het is niet alleen sport en vermaak waarvoor Madison Square Garden zijn deuren opent. Er is zo nu en dan ook tijd voor religieuze bezinning. In 1979 voelde paus Johannes Paulus II zich niet te devoot voor een bezoek aan het aardse paradijs in hartje New York. Bij zijn US Tour in 1979 ontving de paus in Madison Square Garden, tijdens een speciale jongerenbijeenkomst, 20.000 highschool-studenten. En drie jaar later sloot de Zuid-Koreaan Rev. Sun Myung Moon er uit naam van de Unification Church gelijktijdig tweeduizend heilige huwelijken.