Iraakse rebellen zijn al in het tegenoffensief

Iraakse rebellen doodden het afgelopen weekeinde verspreid over Irak meer dan 50 mensen, onder wie veel politiemannen. De aanval geeft aan dat het geweld in Irak na een Amerikaans offensief tegen Falluja niet voorbij zal zijn.

Nog voor het grote Amerikaanse offensief tegen het sunnitische rebellenbolwerk Falluja goed en wel op gang is gekomen, zijn de opstandelingen al in de tegenaanval gegaan. Daar komt de opgevoerde guerrilla-activiteit van het afgelopen weekeinde op neer. De spreiding en de resultaten ervan vormen een belangrijke aanwijzing dat ook al worden de rebellen Falluja ,,uitgemept'', zoals een Amerikaanse commandant het vorige week verwoordde, het niet gedaan zal zijn met het geweld in Irak.

In Samarra vielen zaterdag meer dan 30 doden bij vier aanvallen door rebellen op politiebureaus. Onder de doden waren 17 politiemannen.

In Ramadi werden 20 Amerikaanse militairen gewond bij een aanslag op een legerkonvooi.

In Baquba werd een politieman gedood.

In Latifiya werden drie shi'itische regeringsfunctionarissen gedood.

Gisteren werden in Haditha 21 politiemannen vermoord nadat ze bij een aanval op een politiebureau gevangen waren genomen. Volgens Iraakse veiligheidsbronnen waren bij deze aanvallen 200 opstandelingen betrokken.

In Haqlaniya werd een brigade-generaal van politie doodgeschoten tijdens een aanval, door een kleinere rebellenmacht, op een politiepost.

Bij een bomaanslag op een Amerikaans legerkonvooi bij Bagdad werd een Amerikaanse soldaat gedood.

Falluja, 50 kilometer ten westen van Bagdad, is het symbool geworden van het sunnitische verzet tegen de nieuwe werkelijkheid in Irak. De 300.000 inwoners tellende stad huisvest een brandbare mix van ultrafundamentalistische moslims die niets van ongelovige buitenlanders moeten hebben en mensen die als soldaat of anderzins van Saddam Husseins Ba'athbewind profiteerden, en het ging er al meteen na Saddams val mis. Amerikaanse troepen schoten eind april 2003 13 mensen dood tijdens een pro-Saddambetoging, en zetten daarmee veel kwaad bloed bij de bevolking. Falluja kwam vervolgens alleen nog in het nieuws als uitvalsbasis voor anti-Amerikaans geweld.

Zijn slechte naam werd 31 maart van dit jaar voor de camera's bezegeld toen lokale jonge mannen de lijken verminkten van vier particuliere beveiligers die er zojuist bij een aanslag waren gedood. Het tegenoffensief door Amerikaanse mariniers leidde tot de machtsovername door rebellen. Halverwege de aanval besloten de Amerikaanse autoriteiten en de toenmalige Iraakse regeringsraad het offensief te staken omdat het als collectieve straf werd gezien en de stemming in heel Irak radicaliseerde. Een Iraakse veiligheidseenheid die werd gevormd om de orde te handhaven in de stad, smolt weg en de rebellen namen de macht over. De toenmalige commandant van de mariniers, luitenant-generaal James Conway, zei na zijn vertrek in september zowel de lancering van het offensief als het afbreken ervan te betreuren. Het eerste had volgens hem de burgerij in de armen van de rebellen gedreven, en het tweede een indruk van onzekerheid gemaakt.

Eigenlijk kan niet worden gesproken van de rebellen in Falluja. Zij vormen dezelfde mix als de bevolking: moslimextremisten en aanhangers van het vroegere regime, aangevuld met een ultrafanatieke groep buitenlandse extremisten en gewone misdadigers. De buitenlandse extremisten, volgens de Iraakse en Amerikaanse autoriteiten aangevoerd door de Jordaanse terrorist Abu Musab al-Zarqawi maar volgens een Times-journalist in de stad door een plaatselijke elektricien, Omar Hadid, krijgen de meeste aandacht maar zijn niet noodzakelijkerwijs het sterkst. De verschillende groepen zouden over alles ruziën behalve over de strijd tegen de Amerikanen en hun Iraakse bondgenoten.

Volgens Amerikaanse militaire bronnen hebben de meeste burgers inmiddels Falluja verlaten. Er zouden er minder dan 100.000 zijn achtergebleven, samen met enkele duizenden opstandelingen. Maar het probleem is dat niemand zeker weet hoe de situatie in Falluja is, omdat het verzamelen van informatie een zwak punt blijft. De Christian Science Monitor meldde vorige week dat het Amerikaanse ministerie van Defensie van plan is te investeren in inlichtingenwerk. ,,Er is een groot menselijke-informatie probleem'', aldus een hoge functionaris van de Amerikaanse militaire inlichtingendienst tot de krant.

Dus hoeveel extremisten zijn al uit Falluja naar elders uitgeweken? Het geweld van het afgelopen weekeinde onderstreept dat er buiten de stad – waaruit op last van de Amerikanen al enkele dagen geen man tussen 15 en 50 jaar meer in of uit mag – in elk geval geen gebrek aan rebellen is. Het opmerkelijkste zijn in dit opzicht misschien de aanvallen van zaterdag in Samarra. De rebellen in deze stad waren in de eerste dagen van oktober doelwit van een offensief door een Amerikaans-Iraakse troepenmacht dat door de Amerikaanse commandant als groot succes werd bestempeld en een voorbeeld hoe de orde in rebellenland kan worden hersteld. ,,Het is voorbij in Samarra'', zei de Iraakse interim-minister van Defensie. De Amerikaanse commandant zei dat hij ,,vol vertrouwen'' was dat ,,de toekomst van Samarra goed is''. Gisteren werden er vier zelfmoordaanslagen gepleegd en verscheidene politieposten, het kantoor van de burgemeester en een markt aangevallen door gemaskerde opstandelingen. Vandaag is in Samarra een uitgaansverbod van kracht.