Fransen houden zich in als het over de hoofddoeken gaat

In Frankrijk wordt het debat over de islam met hartstocht, maar toch vooral op kousevoeten gevoerd. Een voortdurende neiging tot politieke correctheid voorkomt conflicten.

Dagblad Le Monde publiceerde deze zomer een opiniestuk met de spectaculaire kop `Ik haat de islam, onder meer...'. De schrijver, psycho-analyticus Patrick Declerck, zei het er zelf bij: ,,Zoiets zeg je niet''. Toch zei hij het. Onder verwijzing naar Kant, Freud en Marx benadrukte Declerck de noodzaak `opnieuw, voortdurend en hardop' te wijzen op `de superieure waardigheid van de goddeloze mens'.

En toen bleef het nagenoeg stil, al stuurden enkele lezers een kopie van het stuk, waarin ze `islam' consequent hadden vervangen door `jodendom', terug naar de krant. Volgens de ombudsman, die de schaarse reacties in kaart bracht, had Declerck met het woord `haat' bewust een grens overschreden maar, zo stelde hij bijna spijtig vast, het doorbreken van een taboe is kennelijk niet voldoende om een debat op gang te brengen. Zeker niet middenin de zomer.

Hij stelde ook nog iets anders vast: geen onderwerp is dezer dagen zo geliefd bij de ingezonden brievenschrijvers als godsdienst, en met name de islam. In feite wordt het zogenaamd gefnuikte debat inderdaad volop gevoerd. Vrijwel iedere week verschijnen er in Frankrijk boeken over de islam. Alleen al het wettelijke verbod op het dragen van een hoofddoek op openbare scholen, dat met ingang van het lopende schooljaar van kracht werd, geeft daar aanleiding toe.

Die nieuwe aanscherping van de `laïcité', de scheiding tussen kerk en staat, heeft ook de huidige minister van Financiën, Nicolas Sarkozy, geïnspireerd tot een onlangs verschenen boek. Sarkozy, die binnenkort hoogstwaarschijnlijk de voorzitter wordt van meerderheidspartij UMP en daarmee een politieke machtspositie van formaat gaat bekleden, is van meet af aan tegen het hoofddoekverbod geweest. In zijn boek pleit hij juist voor een versoepeling van de zo ongeveer heilige `laïcité'. Wie `streng' wil zijn jegens de islam, moet ook 'rechtvaardig' zijn jegens diezelfde islam, aldus Sarkozy. Zo zou de staat de bouw van moskeëen moeten financieren, al was het maar om de `garage-islam' en kwalijke buitenlandse invloeden tegen te gaan.

Dominique de Villepin, minister van Buitenlandse Zaken tijdens de Irak-crisis tussen Amerika en Frankrijk en nu minister van Binnenlandse Zaken, heeft zich gisteren tegenstander van Sarkozy's ideeën verklaard. Een nieuwe discussie over de `laïcité' noemt hij `gevaarlijk'. ,,We moeten deze doos van Pandora niet openen.'' Een stichting zou gebedshuizen moeten gaan financieren.

Van zijn kant deed Sarkozy vorige week mee aan een televisie-debat tussen betrokkenen en deskundigen over zijn eigen voorstellen. De discussie was tekenend voor het algemene, openbare debat over de islam, dat met hartstocht, maar vooral toch met respect en op kousevoeten gevoerd wordt. Frankrijk, dat al twintig jaar discussieert over het islamitische symbool bij uitstek, de hoofddoek, heeft hoor- en zichtbaar enige ervaring met het onderwerp. Bovendien is het extreem-rechtse Front National al minstens zolang een politieke stroming van belang; het verklaart een voortdurende neiging tot politieke correctheid.

Het land telt niettemin enkele felle, met Ayaan Hirsi Ali vergelijkbare critici van de islam. Schrijfster Chadort Djavanne, van Iraanse afkomst, neemt geen blad voor de mond, zo min als de woordvoersters van de emancipatiebeweging `Ni Putes Ni Soumises', `Hoer noch Slavin'. Maar een Frans equivalent van Theo van Gogh is er niet. Niemand in Frankrijk spreekt (in het openbaar) over `geitenneukers' - het dichtst daarbij in de buurt komt misschien nog schrijver Michel Houellebecq die de islam van alle godsdiensten `de lulligste' noemde. Die uitspraak moest hij bekopen met een proces, dat eindigde in vrijspraak.

Officieel Frankrijk is zich zeer bewust van het grote aantal moslims (ongeveer vijf miljoen op zestig miljoen inwoners) binnen de grenzen. Volgens menigeen bepaalt hun aanwezigheid (mede) de buitenlandse politiek. Daarvan is het laatste voorbeeld de opvang van de zieke Palestijnse leider Yasser Arafat - en het bezoek waarmee president Chirac deze vorige week vereerde. De joodse gemeenschap (ongeveer zevenhonderdduizend zielen) heeft daar gemengde gevoelens over, die niet hardop worden uitgesproken. ,,We hebben een gast'', zo zei een joodse vriend ironisch.

Frankrijk gaat prat op de grote ervaring die het heeft met de gewelddadige islam. Sinds midden jaren tachtig is naar aanleiding van aanslagen de informatie van inlichtingendiensten, politie en Openbaar Ministerie gecentraliseerd bij een afdeling terrorismebestrijding. Er zijn successen geboekt, maar het grote, bijna wekelijks toenemende aantal schendingen van (joodse) begraafplaatsen noopt tot relativering. Wel heeft Frankrijk het afgelopen jaar enkele van opruiing verdachte imams, die slechts een verblijfsvergunning hadden, uitgewezen. Tot twee jaar geleden kon het ook veroordeelde buitenlanders na het uitzitten van hun gevangenisstraf uitwijzen. Maar deze zogeheten `dubbele straf' werd door toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Sarkozy onrechtvaardig geacht en afgeschaft.