VS laat Europa het belang van religie zien

George W. Bush besloot de speech na zijn verkiezingszege met God bless America. In het Europees Parlement zou de president van de Verenigde Staten op grond van zijn religieuze overtuiging waarschijnlijk ongeschikt voor zijn baan zijn bevonden. Erger nog zou het zijn, in de ogen van de Europese wetgevers, dat hij die overtuiging zo ongegeneerd duidelijk en publiekelijk uitspreekt.

Wanneer men bedenkt dat Bush zijn herverkiezing grotendeels dankt aan zijn ferme standpunt over de waarden van het gezin en andere morele kwesties, wordt duidelijk dat Europa en de Verenigde Staten niet alleen qua buitenlands beleid uit elkaar drijven, maar ook in hun kijk op de democratische samenleving en op de juiste relatie tussen politiek en ethiek.

Alexander Hamilton, een van de grondleggers van de Verenigde Staten, was ervan overtuigd dat de politiek waarden behoeft die zij niet zelf kan voortbrengen. Zij heeft daarom andere instanties nodig – vooral de kerken – om de deugden te koesteren die de burgers in hun leven nodig hebben. De staat kon derhalve niet één bepaalde kerk bevoorrechten, maar diende een positieve houding te bewaren ten aanzien van de religie in het algemeen.

Jean Jacques Rousseau vond daarentegen dat de staat een soort eigen, burgerlijke religie nodig had. De bestaande kerken moesten die burgerlijke religie dan hun respect betuigen door haar geboden een plaats te geven in hun theologie. Vele geleerden beschouwen die gedachte van Rousseau als de kiem van het totalitarisme. De traditie van Rousseau en van de Jacobijnen leeft in Europa nog voort, weliswaar in minder virulente vormen dan in het niet al te verre verleden, maar zij behoort nog altijd tot het Europese politieke en ideologische landschap.

Deze uiteenlopende filosofische benaderingen van de religie en de politiek vormen echter nog niet de hele waarheid. In de jaren '60 van de 20ste eeuw hebben zowel Europa als de Verenigde Staten een cultureel tijdperk doorgemaakt waarin op traditionele waarden werd neergekeken, een tijdperk dat jonge mensen wilde voorbereiden op een wereld van morgen waarin persoonlijke verantwoordelijkheid, zelfopoffering en andere deugden uit het verleden niet meer nodig zouden zijn. In die wereld zou niemand meer morele overtuigingen nodig hebben. Het zou een wereld zijn die niet door gebrek aan hulpbronnen werd belemmerd. Niemand zou meer voor zijn dagelijks brood hoeven zwoegen.

Helaas, die toekomst is niet gekomen. Wat wel kwam, was daarentegen de val van het communisme. Wij leven nog altijd in een wereld met beperkte hulpbronnen, wij moeten hard werken voor ons aandeel daarin, wij hebben de steun van een gezin nodig en wij hebben de oude, traditionele waarden nodig die al te gemakkelijk overboord waren gezet.

De Amerikanen hebben dat eerder doorgekregen dan de Europeanen. Dat is nóg een verklaring voor het verschil tussen de twee zijden van de Atlantische Oceaan. Maar wij kunnen ook in Europa binnen betrekkelijk korte tijd een mentaliteitsomslag verwachten. Onze worstelende economie en onze vergrijzende samenlevingen kunnen slechts overleven en modern worden als wij althans enkele waarden uit het verleden herwinnen – waaronder de ethiek van hard werken en van zorgzame vaders en moeders.

Dit wordt in Europa maar moeizaam aanvaard, omdat onze intellectuelen altijd de overtuiging hebben gekoesterd dat de moderniteit meebrengt dat het geloof verdwijnt.

Nu laat Amerika, het meest geavanceerde land ter wereld, ons zien dat religie een fundamenteel element kan zijn – ja zelfs een fundamenteel element is – van een vrije samenleving en een moderne economie.

Katholiek Filosoof. Italiaanse minister voor Europese Zaken.

Afgewezen Eurocommisaris.