Tolerantie kan alleen overleven binnen grenzen: de kans voor een nieuw `wij'

We mogen ons land niet uit handen geven. De rituele moord op Theo van Gogh dwingt iedereen zijn verantwoordelijkheid onder ogen te zien. Die van bestuurders voor hand- having van het recht, lang verwaarloosd. Die van moslims voor een geloof dat ruimte laat voor een seculiere staat met godsdienstvrijheid voor iedereen.

Ooit was Amsterdam de belichaming van de tolerantie van Nederland: de trotse hoofdstad van een land dat zichzelf als een symbool van openheid zag. Tot voor kort gold Amsterdam als een gunstige uitzondering: hier was het nog anders dan in de rest van het land, hier had het wantrouwige volk nog geen revolte afgekondigd. En nu ligt daar een lichaam met een slagersmes onder een wit laken op straat en iedereen weet dat we onszelf voor de gek hebben gehouden.

Zo verongelukt de verdraagzaamheid in ons land. Woorden als diversiteit, respect en dialoog verbleken tegen de donkere achtergrond van deze rituele moord. Burgemeester Cohen gaat naar eigen zeggen door met de boel bij elkaar te houden, en wat zou daar tegen kunnen zijn, zo vraagt hij uitdagend aan zijn critici. Niets natuurlijk: het gaat immers niet om de vraag of de boel elkaar moet worden gehouden, maar hoe de boel bijeen kan blijven.

Dat begint bijvoorbeeld met het begrijpen van het belang van het vrije woord, van onafhankelijke stemmen. De meeste politici onderschatten dat, omdat ze zichzelf zien als de enige dragers van verantwoordelijkheid. Sterker nog, het is niet ongebruikelijk om critici voor te houden dat ze eventueel geweld over zichzelf afroepen. Dat is mij ook wel eens overkomen, toen de vorige burgemeester van Amsterdam me op een precair moment tijdens een publiek debat in het voorbijgaan toevoegde dat ik verantwoordelijk was voor de gevolgen van mijn woorden. Anders gezegd: hij trok zijn handen ervan af. Hij had ook kunnen zeggen: ,,Ik ben verantwoordelijk voor de openbare orde in deze stad en ik zal ervoor zorgen dat je vrijelijk kunt spreken, ook al ben ik het helemaal niet met je eens.''

In zijn toespraak voor de gemeenteraad, deze week woensdag, sprak Cohen sombere woorden over ,,haat en angst tussen bevolkingsgroepen in onze stad, ja, laat ik eens een keer generaliseren en uitspreken wat velen in deze stad denken en voelen. Haat en angst aan beide kanten, over en weer. Want als u denkt dat alleen `de Nederlanders' bang zijn, dan kan ik u verzekeren dat dat niet zo is.''

Ik begreep wel wat hij wilde zeggen, maar ik voelde me toch niet aangesproken: ik haat geen bevolkingsgroepen en wil ook niet dat het onafhankelijke debat over de intolerante kanten van de islam wordt verward met `angst'. Daar spreekt de bestuurder die wil dempen, die eigenlijk een beetje bang is voor zijn burgers. Maar het publiekelijk stellen van die vragen is juist een voorwaarde om een verdraagzame omgang mogelijk te maken.

Met zijn kenschets van het klimaat in de stad maakt Cohen de dreiging van moslimextremisme dusdanig breed dat deze onherkenbaar wordt. Bovendien ben ik er niet zeker van dat het sfeerbeeld klopt. Wat mij nu juist zo opvalt, is de betrekkelijk rustige reactie in Amsterdam: vooralsnog eerder gelatenheid en onmacht dan haat en angst. Hetzelfde trouwens wat men kon waarnemen in New York en Madrid na de terreurdaden met een onvergelijkbaar veel grotere omvang. Ook die gebeurtenissen leidden niet tot een gewelddadige uitbarsting jegens de moslimbevolking. Tegenover het onbehagen van moslims die zeggen: ,,We zijn nu een doelwit geworden'', moeten we een nuchtere waarneming stellen: een radicale moslimactivist heeft een criticus van de islam vermoord. Dat is verschrikkelijk, en het is beter dat feit in al zijn naaktheid tot ons te laten doordringen.

De benadering van Cohen komt niet uit de lucht vallen. Zo trok hij enkele jaren geleden een parallel tussen de positie van joden vóór de oorlog en die van moslims nu. Was het niet slecht afgelopen met de joodse burgers, die toch helemaal geassimileerd waren? Daaraan verbond hij een nogal eenzijdige conclusie: ,,Als wij bereid zijn om vreemdelingen in onze samenleving op te nemen als volwaardige burgers, dan zullen zij daadwerkelijk volwaardige burgers zijn.'' Het doet er blijkbaar niet toe wat deze burgers in spe zelf zeggen en doen.

Deze vlucht voor de verantwoordelijkheid kan echt niet meer na de dag waarop Theo van Gogh werd vermoord. In deze tragedie ligt juist een pertinente uitnodiging om als burger te zeggen: ,,Dit land is nu ook van ons.'' Velen willen dat ook, maar zijn te afwachtend. Er komt een moment dat het eeuwige aarzelen tussen het land van herkomst en het land van aankomst schipbreuk lijdt. Er wordt veel gesproken over dubbele loyaliteiten; de werkelijkheid is er een van halve of ontbrekende loyaliteiten. De gedachte is al te vaak: ik wil gebruikmaken van de rechten in meerdere samenlevingen en tegelijk voel ik ten opzichte van geen land een werkelijke binding; ik hoor overal bij en dus eigenlijk nergens. Maar vrijheid kan niet worden geleefd zonder een gevoel van verplichting.

De moeizame integratie die hoort bij migratie is vaak genoeg beschreven. Al in de jaren twintig is door de oprichter van de befaamde Chicago school of sociology geschreven over `de demoralisering van de immigrant'. Robert E. Park analyseerde hoe de eerste generatie van immigranten van het platteland in Sicilië en Polen het dorp in de stad wilden voortzetten, wilden vasthouden aan de oude vormen en gedachten. Hun kinderen raakten vervolgens verstrikt in een conflict tussen de geïndividualiseerde samenleving hij gebruikt die term al in 1925 en een traditionele gezinscultuur. Heel herkenbaar allemaal.

Dat zijn bekende processen, maar daarbovenop ligt nu een religieuze botsing, die te maken heeft met een diepe malaise in de islamitische wereld, een malaise die hierheen is gemigreerd met de gastarbeiders en de vluchtelingen. Dat onbehagen in de islam raakt vermengd met de onthechting die sowieso bij verplaatsing hoort en levert in de hoofden van heel wat jongere moslims een tamelijk giftig mengsel op, dat gemakkelijk misbruikt kan worden voor gewelddadige doeleinden. De politieke islam biedt een geborgenheid die elders niet gevonden wordt. Het is eigenlijk allemaal heel begrijpelijk en juist daarom ook zo gruwelijk dichtbij.

Er zijn maar weinig gemeenschappen die zo weinig op een gemeenschap lijken als de miljoen moslims in ons land. Er is zoveel onenigheid, er zijn zoveel subculturen. Wat we de moslimgemeenschap noemen, is in werkelijkheid een optelsom van verdeelde etnische groepen, van conflicterende generaties en geloofsrichtingen die elkaar zeer onverdraagzaam bejegenen. Er is dus helemaal geen moslimgemeenschap en de overheid moet niet te hard proberen om deze fictie via overlegfaçades in stand te houden.

Er moet veel meer gesproken worden, juist ook door moslims die hier leven. Hun zwijgen heeft krachtig bijgedragen tot vooroordelen. Hoe kunnen buitenstaanders nu onderscheid maken tussen liberale, conservatieve en fundamentalistische moslims, als niemand zich wil distantiëren van het geweld dat dagelijks op allerlei plaatsen in de wereld uit naam van de islam wordt uitgeoefend, en nu dus ook hier? Het schouderophalende `wat hebben wij daar nou mee te maken' kan echt niet meer. Natuurlijk is er geen collectieve schuld van moslims, maar er is wel een bijzondere verantwoordelijkheid. Wethouder Ahmed Aboutaleb begreep dat heel goed toen hij zich in niet mis te verstane woorden richtte tot de Marokkaanse gemeenschap. Aboutaleb danst dezer dagen met verve op een slap koord.

Anderen maken een tegenovergestelde keuze. Kort geleden was ik uitgenodigd om samen met onder anderen Hans Dijkstal te debatteren met een honderdtal succesvolle migranten uit de Marokkaanse gemeenschap. Het was een interessante ervaring: ik uitte mijn kritiek op het zwijgen in moslimkring, probeerde te zeggen waarom het zo belangrijk is dat er meer zichtbare betrokkenheid wordt getoond bij de Nederlandse samenleving en dat het geen zin heeft om aldoor maar te wijzen op alles wat Marokkanen in dit land wordt aangedaan. Een blik in deze zaal vol met succesvolle loopbanen leert dat het wel meevalt.

De reacties in het openbare gedeelte vielen me eerlijk gezegd niet mee, terwijl na afloop velen van mening bleken dat meer van de meningsverschillen en problemen in eigen kring naar buiten moeten komen. Tijdens de bijeenkomst werd echter overwegend de verantwoordelijkheid voor de problemen onder Marokkanen elders gelegd, vooral bij de media die volgens mij ten onrechte grove eenzijdigheid wordt verweten. Ook de discriminatie op de arbeidsmarkt die geen zinnig mens zal willen wegwuiven werd bij herhaling aangehaald.

Maar heel weinigen waagden een kritische blik op het eigen doen en laten. Daarin werden ze tot mijn verbazing gesteund door Hans Dijkstal, die de aanwezigen met klem ervoor waarschuwde om te veel zelfkritiek te leveren. Moslims verkeren naar zijn oordeel in een groot gevaar, dat zijns inziens een vergelijking met de jaren dertig rechtvaardigt: we bevinden ons op een hellend vlak, aldus de oud-minister. Door te veel kritiek op de eigen gemeenschap worden ze kwetsbaar tegenover een regeringsbeleid waarin hij een xenofobe toon ontwaarde. Zulke woorden dragen bij aan het wantrouwen tegenover de overheid, een wantrouwen dat toch al door velen is meegenomen uit de landen van herkomst. Zinnen als `we worden straks gedeporteerd' worden dan helaas niet meer als lachwekkend gezien, maar zijn in de hoofden van velen een reële mogelijkheid. Met dank aan Dijkstal.

Lang is gedacht dat het geweld wel aan Nederland voorbij zou gaan. Daarin herkent men de mentale afzijdigheid van een land dat een lange traditie heeft van neutraliteit. Dezer dagen is duidelijk geworden dat het wereldwijde conflict rond de politieke islam ook in onze straten is neergedaald.

Hoe groot is die dreiging eigenlijk? Er is eigenlijk weinig goed onderzoek naar de omvang van deze radicale stroming. De meeste schattingen spreken over 3 tot 5 procent moslims die onder omstandigheden wel tot geweld bereid zijn.

Dat is weinig en heel veel tegelijk. Weinig omdat er dus een overgrote meerderheid is die op een vreedzame manier hier wil leven, veel te veel omdat honderden potentiële terroristen met een omgeving van tienduizenden sympathisanten de samenleving voor een urgent probleem plaatsen. In een aantal opzichten lijkt het op de Baader-Meinhof groep, die de Duitse samenleving jarenlang gijzelde met aanslagen op prominente Duitsers. Er zijn maar kleine groepen nodig die de grens van het geweld willen oversteken om een heel land uit het lood te slaan.

Olivier Roy maakt in zijn boek over de globalisering van de islam een vergelijking met het extreem-linkse terrorisme: ,,Het grote verschil is dat het islamitisch radicalisme een potentiële sociale basis heeft die de marxisten ontbeerden: de ontheemde moslimbevolking.'' Het gevaar is zeer reëel en toch is Roy ervan overtuigd dat onze samenleving niet duurzaam wordt ontwricht door terreur: het geweld van moslimfundamentalisten is uiteindelijk een walgelijk, maar machteloos gebaar. De vitaliteit van de rechtsstaat een van de belangrijkste redenen waarom zoveel immigranten onze kant opkomen is te groot om door een fanatieke minderheid kapot te worden gemaakt.

Of het politieke geweld loont, hangt heel sterk af van de reacties. De moord op Van Gogh kan een keerpunt worden, een wending ten goede. We moeten uit alle macht proberen om van deze nood een deugd te maken. Gemeenschappen worden gebouwd op gedeelde ervaringen, gedeelde lotgevallen, zoals deze onthutsende moord op klaarlichte dag. Alle geladen gesprekken die we nu voeren kunnen bijdragen tot een nieuw `wij', een wij dat al diegenen omvat die zich ongeachte hun herkomst verbonden voelen met dit land, die de beginselen van een open samenleving willen verdedigen, en een kritische loyaliteit willen praktiseren als burgers die zich verantwoordelijk voelen voor wat zich hier afspeelt.

We mogen ons land niet uit handen geven, zoals nu al sommige buurten in de greep van de gewelddadigheid zijn. Dat vergt meer inspanning dan velen hebben gedacht: er is namelijk geen enkele garantie dat de maatschappelijke vrede bestendigd kan worden nu we met zoveel verschillen op een klein grondgebied samenleven. Het is evenzeer mogelijk dat we verder uiteengroeien in een etnisch verdeelde samenleving, dat in de grote steden meer en meer getto's ontstaan die worden gedomineerd door een islamitische tegencultuur. De segregatie in de grote steden neemt vooralsnog toe en dat is heel slecht nieuws.

Daarom werken de bezweringen over diversiteit en dialoog, over respect en redelijkheid niet meer. De tolerantie kan alleen overleven binnen duidelijke grenzen: zonder gedeelde rechtsnormen kunnen we niet op een productieve manier van mening verschillen. Daarom betekent `de boel bij elkaar houden' allereerst: niet toegeven aan extremisme, niet wijken voor kleine straatterreur of grote politieke terreur, niet langer vasthouden aan een cultuur van gedogen, wat een ander woord is gebleken voor het recht van de sterkste. De zelfverklaarde onmacht van de politiek om de openbare orde effectief te waarborgen, bedreigt de tolerantie het meest.

De vermijding, het gedogen, het kan nu werkelijk niet meer. In het debat over de integratie wordt een algemeen tekort zichtbaar en dat is de verwaarlozing van de rechtshandhaving in Nederland.

Er is iets ernstig mis, vooral waar het gaat om geweldscriminaliteit. Zo is de strafmaat bij recidive te laag, maar ook bij de politieke moord op Fortuyn deugden de strafmaat en de motivering daarvoor van geen kanten. Waarom krijgt de moordenaar van de Zweedse minister Anna Lindh of van de Israëlische premier Rabin wel levenslang en de moordenaar van Fortuyn niet?

Ik mag hopen dat het geen precedent is, en dat de koele moord op Van Gogh met levenslang wordt bestraft. Gratie kan altijd nog na 25 jaar, maar het beginsel moet duidelijk zijn: wie zich zo vergrijpt aan de democratie, verliest zijn recht om deel uit te maken van de samenleving.

Niemand vraagt om een politiestaat, integendeel: iedereen wil dat het recht op vrije meningsuiting, en dus ook godsdienstvrijheid, overeind blijft. Er is maar één grondregel en die hebben we in ons land stelselmatig verwaarloosd. Wie het recht op godsdienstvrijheid wil uitoefenen, moet de plicht aanvaarden om die vrijheid voor anderen te verdedigen, of dat nu andersgelovigen, afvalligen of ongelovigen zijn. Is de moskee een plaats waar haat wordt gepreekt tegen alles en iedereen die niet bij de islam hoort, dan komt het recht op vrije meningsuiting in gevaar.

Daar staat tegenover dat kritiek op religie nooit verward mag worden met de scheiding van staat en kerk. Het is ieders recht om religie als zodanig af te wijzen als een onredelijk en autoritair stelsel dat mensen onderdrukt. Maar het principiële conflict tussen atheïsme en gelovigheid is heel wat anders dan het gesprek over de plaats van religie in onze samenleving.

De scheiding van staat en kerk betekent juist dat men een duurzame plaats voor het geloof inruimt. Het debat over de islam kan alleen maar een aanvaardbare uitkomst hebben als het verankerd is in het recht op godsdienstvrijheid.

Een samenleving die zichzelf niet verplicht tot een religieus pluralisme dat de islam probeert te omvatten, zal altijd moslims van zich vervreemden. Maar die moslims moeten op hun beurt afstand nemen van de islam als dwingend rechtsstelsel, van de islam als meerderheidsgodsdienst. Wat we meemaken in Europa is uniek in de geschiedenis van de islam: nooit vestigden zich zoveel moslims duurzaam als minderheid in een seculiere staat. En dat vraagt om een diepgaande hervorming: van een geloof dat wil dwingen en dat beslag legt op de publieke ruimte naar een geloof dat zich richt tot het individuele geweten van de gelovige.

Dat is een geloof dat zichzelf met woorden verdedigt en niet met terreur. Heilige boeken staan niet boven of buiten de democratie, maar horen het voorwerp te kunnen zijn van kritiek, spot en interpretatie. Gelovigen met welke achtergrond ook moeten daarmee leren leven.

Deze moord betekent waarschijnlijk dat we nooit meer een vervolg op de film Submission zullen zien. Welke filmmaker zal het nu nog aandurven het project van Ayaan Hirsi Ali te ondersteunen? En zal ze zelf het risico willen nemen iemand anders te benaderen? Dat is dus wat er op het spel staat, en dat heeft weinig te maken met het beledigende taalgebruik van van Gogh.

Ik herinner me goed een bezoek van Ayaan Hirsi Ali, toen de bedreigingen net waren begonnen. Ze kwam mijn huis binnen en het vermoeden van een burgeroorlog volgde haar op de voet. De bewaking posteerde zich in de gang, nadat eerst de achterkant van het huis nauwlettend was bekeken. Buiten stonden twee gepantserde auto's. Ik vroeg, enigszins van mijn stuk gebracht: ,,Vind je het allemaal niet heel erg, ik bedoel: de situatie waar je in verzeild bent geraakt, al die bedreigingen, deze mannen die je omringen?'' Het maakte me treurig, dat hele pandemonium van de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging.

Ze keek me onderzoekend aan en zei: ,,Ik heb wel vaker het gevoel dat het leven met me op de loop gaat. Kijk, ik heb burgeroorlogen meegemaakt, dit kan er nog wel bij, het valt allemaal wel mee.''

Dat kan wel zijn, dacht ik, maar ik heb nog nooit een burgeroorlog van dichtbij meegemaakt en ik wou dat ook zo houden, als je het niet erg vindt. En trouwens, was het hele idee van je komst naar onze contreien niet om te voorkomen dat het geweld je ooit zou achterhalen?

Publicist en hoogleraar Grootstedelijke Problematiek. Hij publiceerde in 2000 het geruchtmakende artikel `Het multiculturele drama'.