Tikhinder

HET GAAT in deze rubriek maar zelden over muziek, geluid en lawaai. De AW-redactie is voor geen greintje muzikaal, kan niet `noten lezen' en heeft nooit begrepen wat `vals' is. Welwillende muzikale vrienden die het probeerden uit te leggen, beten zich de tanden stuk.

Het muziekonderwijs op de Nederlandse middelbare school stelt niets voor, dat is de verklaring. Er komt bij dat ook de akoestiek of geluidsleer binnen het klassieke fysica-onderwijs geen noemenswaardige positie heeft weten te veroveren. Fysici beschouwen de akoestiek waarschijnlijk als een doodlopend straatje, een straatje voor technici. Wat je op de middelbare school van geluid moest weten was in een halve middag verteld. Het is een longitudinale trilling, je kunt frequenties in golflengten omrekenen en omgekeerd en er is zoiets als resonantie en interferentie. Met de fietspomp van Kundt (vol lycopodiumpoeder) bepaalde je de geluidssnelheid en met de schuiftrompet van Quincke de golflengte. Dat was het wel zo'n beetje.

Resultaat is dat deze week met geen mogelijkheid wilde te binnenschieten op welke grond destijds was vastgesteld dat geluid een longitudinale en niet een transversale trilling is. Voor zover viel waar te nemen zijn de geluidslessen in moderne natuurkundeboeken niet erg verbeterd. Nu in het wiskunde-onderwijs het praktisch gebruik van logaritmen is afgeschaft zal binnenkort ook de decibel wel het loodje leggen.

Zelfs de in deze rubriek veel geciteerde dr. M. Minnaert, die overigens wèl heel muzikaal was, is in zijn `De natuurkunde van 't vrije veld' in het gedeelte over geluid lang niet zo scherpzinnig als verderop in zijn serie. Tussen zijn mooie, vaak heel poëtische waarnemingen schuilen rare opmerkingen. Fazanten kunnen ververwijderde kanonschoten horen, omdat ze oorspronkelijk voorkwamen in gebieden met veel aardbevingen. Duikers kunnen onderwater gewoon met elkaar praten. Er is verschil tussen geluid en gerucht. En nog zowat.

Het neemt niet weg dat Minnaert een proefje aan de hand deed dat deze week goede diensten bewees. Gefascineerd door het verschil tussen geluid, gerucht en geruis, door de onmogelijkheid ook om de verschillende soorten gerucht en geruis eenduidig te classificeren, introduceerde Minnaert de wekker als hulpmiddel. De tikkende wekker als meetinstrument voor het vaststellen van de sterkte van het omgevingsgeruis. In voorkomende gevallen bepaalde Minnaert de `grensafstand' waarbij hij het tikken van de wekker net wel/net niet horen kon. Overdag was het vaak maar 15 of 70 cm. 's Nachts haalde hij wel de 6 meter. De grensafstand is omgekeerd evenredig met de hinder.

Aan veel meer wekkerwerk is Minnaert niet toegekomen. Toch kunnen ook de moderne quartz-wekkertjes nog aardige dingen duidelijk maken, althans voor zover ze zijn uitgerust met secondenwijzers. Dan tikken ze vaak nog hard genoeg om 's nachts, als veel daglawaai is weggevallen, tot op zes meter of meer hoorbaar te zijn.

Het luisteren met wekker en waarnemer precies op `grensafstand' is vermoeiend en tijdrovend maar ook verhelderend. Het blijkt dat de stand van het hoofd van grote invloed is op het hoorvermogen. Ook wordt duidelijk dat het inderdaad helpt om de hand achter de oorschelp te houden, zoals hardhorenden wel deden voor ze door de audiciën werden opgevangen. En vaak valt een pijnlijk verschil tussen het ene en het andere oor te noteren. (En passant stelt men vast dat zo'n wekkertje in een vaste cyclus voortdurend harder en zachter tikt: waarschijnlijk de invloed van het mee- of terugdrijvend moment van de secondenwijzer).

Nu naar de brief van Heero P. die drie jaar geleden arriveerde. ``Ik kan zeer slecht tegen `zoemende en brommende' geluiden in de slaapkamer,'' schreef hij. ``Tijdens de zoveelste doorwaakte nacht in een hotel met een hinderlijke keukenafzuiging kwam ik op het idee te onderzoeken of er geen plek in de kamer was waar de overlast minder zou zijn. Zowaar vond ik tenminste één plek waar het gezoem geheel wegviel. Daarna heb ik mijn bed zó verplaatst dat mijn hoofd precies binnen het geluidsvacuüm kwam te liggen. Sindsdien is dit mijn vaste strategie bij geluidsoverlast.''

P. stelt vast dat er in bijna elke kamer zo'n geluidloze plek te vinden is, tenzij er twee bijna even luide geluidsbronnen zijn. Hij wil graag weten of anderen de ervaring delen en wat de verklaring is.

Ja! Anderen delen de ervaring. In AW-omgeving was er lange tijd een raamventilatortje dat avondenlang moest doorzoemen. Dat leidde tot eenzelfde speurtocht en eenzelfde ontdekking: de stille plek. En het aardige is dat stille plekken ook met de wekker te vinden zijn. Men vindt de `grensafstand' natuurlijk door zich langzaam van de wekker te verwijderen. Daarbij doet zich het verwarrende verschijnsel voor dat de wekker soms op een afstand van vier meter al met geen mogelijkheid meer te horen is en dan twee meter verderop opeens weer overtuigend doorkomt. De grensafstand van Minnaert is niet eenduidig.

Het is moeizaam meten maar wie er een uurtje voor uittrekt zal de waarneming bevestigen. Spelenderwijs stelt hij vast dat de stille plek geen vaste plaats heeft. Het is geen eigenschap van de kamer, maar een functie van de plaats van de wekker in de kamer. En van de inrichting van de kamer: als poef en rookfauteuil worden verplaatst verschuift de stille plek. Dat is een complicatie bij het slepen met zo'n hotelbed.

De verleiding is groot het verschijnsel in deze tijd van `antigeluid' toe te schrijven aan interferentie. Het van verschillende kanten, rechtstreeks en weerkaatst, arriverende geluid zou op bepaalde plaatsen precies in tegenfase kunnen zijn en dan uitdempen. Dat moet wel onzin zijn, het tikken van een wekker bestaat uit zoveel verschillende frequenties dat die elkaar lang niet allemaal tegelijk kunnen uitdoven. Waarschijnlijk is het vooral of uitsluitend het spel van reflectie en absorptie dat de doorslag geeft. Leerboeken bouwfysica verklaren zo in ieder geval het verschil in akoestiek tussen concertzalen.