Sallustius trok de goden hun klauwen uit

In twaalf afleveringen schrijft schaker Hans Ree over de grote geesten die zijn leven hebben beïnvloed.

Het zou overdreven zijn als ik Sallustius een van mijn helden noemde, want een paar jaar geleden had ik nog nooit van hem gehoord. Bovendien is hij de schrijver van slechts één boek, Over de goden en de wereld, en wat mij betreft vooral de schrijver van één zin die mijn nieuwsgierigheid opwekte: 'Deze dingen zijn nooit gebeurd, maar ze zijn altijd.'

Wie deze Sallustius was staat niet helemaal vast, want er zijn verschillende kandidaten.

Hij moet niet verward worden met de bekende Romeinse geschiedschrijver die in de eerste eeuw voor Christus leefde. Onze Sallustius was een vriend van keizer Julianus (331-363) en schreef in het Grieks.

Julianus kreeg van de christenen de hatelijke bijnaam 'de apostaat', de afvallige, omdat hij zijn christelijke opvoeding had verloochend en in de korte tijd dat hij keizer was - de twee laatste jaren van zijn leven - probeerde om het zegevierende christendom terug te dringen en de oude Grieks-Romeinse goden in ere te herstellen.

Over het algemeen wordt zijn optreden als zegenrijk beschreven. Voordat hij keizer was drong hij als veldheer in Gallië de Germaanse stammen terug, waardoor hij Frankrijk en een deel van het tegenwoordige België voor de beschaving bewaarde. Noordelijker dan Maastricht is hij nooit gekomen. Als keizer bestreed hij corruptie en wat we tegenwoordig schaamteloze zelfverrijking door de machthebbers zouden noemen. Hij bestreed het christendom, maar vervolgde de christenen niet.

Zelf waren die minder tolerant, ook als ze onder elkaar twistten over de juiste uitleg van hun leer. 'De wilde dieren zijn niet zo gevaarlijk voor de mens als de christenen voor elkaar', schreef iemand omstreeks die tijd.

Veel later zou Julianus in West-Europa een held worden van verlichte filosofen, zoals bijvoorbeeld Voltaire. 'In de meest uiteenlopende kringen werd het gewoonte Julianus' motieven voor zijn optreden te vereenzelvigen met de denkbeelden die men zelf koesterde', schreef een christelijke biograaf van Julianus enigszins schamper.

Gore Vidal

Een recente apologeet van Julianus is de Amerikaanse schrijver Gore Vidal. Zijn Julian is een prachtige roman. Je weet dat het slecht af zal lopen, maar toch hoopte ik bij het lezen tegen beter weten in dat de keizer er in zou slagen om de oude goden terug te brengen ten koste van het christendom.

Waarom wilde ik dat eigenlijk? Het moet met mijn opvoeding te maken hebben, waar veel van blijft hangen, ook als je denkt je dat je er afstand van hebt genomen. Die opvoeding hamerde er een volstrekt onbegrip in voor wat een religieus mens kon bezielen. Protestanten, die leken nog wel een beetje op redelijke mensen, maar katholieken waren voor mijn ouders leden van een exotische stam met onbegrijpelijke primitieve gebruiken. Zonder veel vijandigheid overigens. 'Ze zijn katholiek, maar heel aardige mensen', zei mijn moeder vaak over onze buren. Later probeer je te begrijpen wat christenen denken en voelen, maar voor je het weet glijd je weer terug in het anti-christelijke sentiment van je jeugd.

Het Griekse polytheïsme lijkt ook veel aantrekkelijker. De goden zijn van een kracht en pracht die de nekharen van de stervelingen overeind doen staan en hun ogen verblinden. Ze zijn overal, in steeds wisselende gedaante, een slang, een rivier of een steen, waardoor het landschap bezield wordt en alles in een goddelijk Grieks licht komt te staan. De wereld wordt poëzie.

De verhalen over hen kennen eindeloze variaties en de goden zijn zo talrijk dat het vanzelfsprekend is dat iedere stad zijn eigen lievelingsgod heeft, die elders ook wel gekend wordt, maar op een andere manier. Voor de leerstelligheid en de intolerantie van het ene boek en de ene god van het monotheïsme hoeft hier niet gevreesd te worden. De waarheid van het Grieks-Romeinse polytheïsme heeft vele gezichten.

Wispelturig

En ook is het een religie voor volwassenen, want het biedt geen kinderlijke zekerheden. De goden zijn wispelturig. Wie zich tegen hen keert wordt altijd gestraft, maar wie hen eert hoeft nog niet beloond te worden. De goden hebben het lang niet altijd goed met de mensen voor. Ze kunnen wreed en wraakzuchtig zijn en de sterveling vernietigen om redenen waar die niets van kan weten. Voor de gevaarlijke waan dat alles ten slotte wel goed zal komen als je maar braaf bent, geven de Griekse mythes geen enkele aanleiding.

Zo valt er makkelijk veel goeds over die oude goden te zeggen, alleen één ding niet: dat een modern mens er echt in zou kunnen geloven. En als de oude Grieken dat wel deden, op wat voor manier deden ze dat dan?

Over de goden en de wereld, het korte geschrift van Julianus' vriend Sallustius dat ongeveer twintig pagina's zou beslaan in een modern boek, is de cathechismus van het heidendom genoemd. De zin die me nieuwsgierig maakte, 'Deze dingen zijn nooit gebeurd, maar ze zijn altijd', gebruikte de Italiaan Roberto Calasso als het motto van zijn boek De bruiloft van Cadmus en Harmonia, waarin hij de oude Griekse mythes navertelt met het ambitieuze doel om ons te laten begrijpen wat ze voor de Grieken betekenden en waarom hun nekharen overeind stonden en hun ogen verblind werden door de goden.

'Waarom zijn de mythes zo vreemd?' vroeg Sallustius zich af. Er gebeuren de wonderlijkste dingen in die mythes en wat misschien nog erger was, de goden lijken zich soms te gedragen als ordinaire bandieten aan wie niets menselijks vreemd is. Het waren niet alleen de christenen die de mythes als ongeloofwaardige kinderpraatjes afwezen.

Sallustius behandelde de mythe van Chronos, die zijn kinderen opvrat, van Paris, de sterveling die mocht zeggen welke godin de gouden appel verdiende, en van Attis, die door de Moeder der Goden Cybele eerst bemind en later krankzinnig gemaakt werd, waardoor Attis zich castreerde en stierf onder een pijnboom, waarna viooltjes uit zijn bloed ontsproten.

Sallustius deed het op de manier van een modern theoloog die uitlegt dat sommige bijbelverhalen niet letterlijk moeten worden genomen, maar symbolisch. Chronos, de Tijd, eet altijd zijn kinderen op. Altijd zijn er dwaze stervelingen als Paris die alleen de schoonheid hoogachten. En zoals Attis zijn ook wij uit de hemel gevallen, we sterven en we komen terug in onze kinderen. 'Deze dingen zijn nooit gebeurd, maar ze zijn altijd', schrijft Sallustius.

Daar hadden de christenen wat van op kunnen steken, dacht ik. Die waren in de vierde eeuw na Christus nog lang niet toe aan een symbolische interpretatie van hun wonderverhalen. Het waren letterlijkheidsfanaten, met de bekrompenheid en intolerantie die daar bij horen.

Maar zou dat ook niet hun kracht zijn geweest? Julianus en Sallustius verloren de strijd tegen de christenen. Julianus stierf jong op het slagveld, maar niemand gelooft nog dat hij werkelijk het christendom had kunnen terugdringen als hij langer geleefd had. Misschien is het wel altijd zo dat een verlichte religie weinig in te brengen heeft tegen mensen die hun verhalen letterlijk nemen.

Vrijdenker

Zoals de filosofen van de Verlichting Julianus hadden omgevormd naar hun eigen beeld, zo deed ik het ook met Sallustius. Ik wilde hem graag zien als een propagandist van een religie waar je eigenlijk niets voor hoefde te geloven; een soort 'atheïstisch polytheïsme' dat de kracht van de klassieke Griekse eredienst combineerde met de rationele scepsis van een vrijdenker.

Zoiets kan niet bestaan. De religie van Julianus en Sallustius stond al ver af van het spectaculaire drama van de Olympische goden waar wij aan denken als we over de oude Grieken jubelen. Honderden jaren van filosofie hadden er al aan geknaagd en ook het christendom, dat hen veel meer had beïnvloed dan ze wilden weten. Julianus en Sallustius konden het idee van de letterlijke waarheid van de mythes in zekere zin makkelijk opgeven, omdat bijna geen ontwikkeld mens er nog in geloofde.

Eerste Oorzaak

Wat Sallustius overhield lijkt al op het monotheïsme. De klassieke goden zijn er nog, maar ondergeschikt aan een hogere macht die hij de Eerste Oorzaak noemt. Ze zijn ook niet meer zo wispelturig als vroeger. Ze hebben het goed met de mensen voor, maar ze hebben niets van hen nodig. Wie een offer aan de goden brengt doet het voor zichzelf.

'Als slechte mensen in welstand leven en goede in armoede, moeten we niet verbaasd zijn, want die eersten doen alles om rijkdom te verwerven en de anderen niets', schrijft Sallustius. Een straf in dit leven hoeven de slechten niet te verwachten. De zonde is zijn eigen straf en na hun dood zullen de zondige zielen nog steeds niet in staat zijn om de goden te kennen.

Het doet denken aan wat de paus zei in onze tijd: de Hel is niet meer een plek waar zondaars gemarteld worden, maar een toestand van een ziel die verstoken is van contact met God.

De goden zijn bij Sallustius getemd, hun klauwen uitgetrokken. Zijn religie is er een voor filosofen met heimwee naar een stralend verleden.

Je kunt je afvragen of zo'n filosofenreligie levensvatbaar is. De keizer-filosoof Julianus stierf tijdens een veldtocht tegen de Perzen, misschien vermoord door een christelijke soldaat uit zijn eigen leger. Wat was er gebeurd als hij zijn strijd had kunnen voortzetten?

Stel je voor. De oude mythes worden weer verteld, maar niet meer letterlijk genomen. De verwoeste tempels worden herbouwd en op de altaren wordt geofferd aan goden die niets nodig hebben, door mensen die weten dat ze het voor zichzelf doen. Dat zou een waarlijk verlichte religie zijn, maar het is moeilijk voorstelbaar hoe zo'n verlichte religie nog emotionele kracht kan hebben.