Reuzen en dwergen

De pianist, dirigent en componist Leonard Bernstein was een muzikale reus. Toch werd hij pas op relatief late leeftijd met muziek geconfronteerd. Hij was al tien toen het gezin van een tante een piano cadeau kreeg. Toen zijn vader werd gevraagd waarom hij zo'n uitgesproken genie niet eerder met muziek in aanraking had gebracht, antwoordde deze, dat hij toch moeilijk kon weten dat zijn zoon Leonard Bernstein zou worden. (Je moet een anekdote nooit uitleggen, maar als ouder weet je natuurlijk helemaal niets zeker van je kind, behalve de naam – hoewel, Bernstein was geboren als Louis en veranderde zelf zijn naam in Leonard.)

Ook in de wetenschap kun je volgens mij niet jong genoeg beginnen. Neem ons zoontje Matthijs van zes. Hij is zeer beslist over zijn carrière: hij wordt ruimtevaarder. Dat wil zijn vriendje ook, ook al fluisterde die me bezorgd toe dat hij hoopt dat Matthijs wél weet hoe je een raket moet besturen. Iedere avond maken we met alle drie de kinderen voor het slapen gaan alvast een imaginaire raketreis, vaak naar een verre planeet of sterrenstelsel.

Daar speelt zich een hoop onzin af. Er worden woeste gevechten geleverd met Marsmannetjes, die de aarde in een grote sneeuwklomp willen veranderen, of met vliegende octopussen uit Jupiter en de inwoners van de Omgekeerde Wereld, waar alles ondersteboven, achterstevoren en binnenstebuiten is. Toch wordt spelenderwijs van alles geleerd, van sterrenkunde tot logica. Zo hebben we ondertussen alle negen planeten uitvoerig bezocht. En Matthijs kan feilloos de levensloop van de zon vertellen, hoe ze zal uitgroeien tot een rode reus, die de aarde verorbert, en dan ineenschrompelt tot een witte dwerg. Op zijn stoeltje stonden reus en dwerg trots getekend. Bij zijn verjaardagsfeestje speelden we het in de klas na, met smarties en een grapefruit. Het zonnestelsel ging er in als koek.

Alle ouders kunnen bevestigen dat juist op de basisschool kinderen nog helemaal open staan voor de verwondering en de ontdekkingstocht van de wetenschap. Wat is er natuurlijker voor een kind dan met vallen en opstaan de wereld om zich heen te ontdekken en zich af te vragen of er een logisch systeem achterzit? Pas veel later, in de pubertijd, wordt deze instelling helaas door de hormoongolven weggewassen. Mijn hart ging open toen ik een kind aan een (onbegrijpende) ouder haarfijn hoorde uitleggen, waarom er pinguïns op de Zuidpool leven en ijsberen op de Noordpool en niet omgekeerd. En, voor de onderwijskundigen die met kromme tenen over imaginaire ruimtereizen lezen en zich afvragen of dat wel helemaal faseconform is, of de strenge sterrenkundigen die zich zorgen maken over de disneyficatie van de astronomie: er mag van mij ook best wat fantasie bij. Er is niets mis met een open geest, hoewel die niet zo ver open moet staan dat je hersenen eruit vallen.

Het belang van een vroege start bleek weer eens duidelijk op een internationale conferentie over wetenschap en techniek in het primair onderwijs, die vorige maand in Amsterdam werd georganiseerd onder de vlag van het Nederlandse EU-voorzitterschap. Daar zagen we hoe natuurlijk kinderen via eenvoudige proefjes zelf de principes van bijvoorbeeld geluid of licht kunnen ontdekken. Wat een warme gevoelens, het leek wel een Unicef-kerstkaart.

Maar wel werd pijnlijk duidelijk hoe ver andere landen op ons vooruit lopen. Zo is men in Frankrijk al tien jaar bezig met het prachtige initiatief La main à la pâte (`aan de slag') van de deeltjesfysicus en Nobelprijswinnaar George Charpak. (Opvallend trouwens, hoeveel elementaire deeltjesfysici zich druk maken over het `elementaire' onderwijs.) Er is daar ondertussen een complete infrastructuur opgebouwd met vakdocenten, regionale kenniscentra en on-line lesprogramma's. De Franse hang naar dirigisme helpt hier zeker, maar ook in het zachte Zweden is men intussen vergevorderd.

De Nederlandse basisschool is wat dit betreft nog een stoffige woestijn, net als in vele andere Europese landen. Het valt op dat opkomende technologische reuzen zoals China en Brazilië dit soort initiatieven gemakkelijker oppakken dan de Oude Wereld. Dit ondanks de ambitieuze voornemens van het Lissabon-akkoord, waarmee Europa besloten heeft de `meest dynamische kenniseconomie ter wereld' te worden. Anders dan kinderen is papier geduldig. Voorlopig blijven we een economie van goede voornemens.

Maar, zult u vragen, moeten we dan zonodig allemaal kleine Einsteintjes (of Bernsteintjes) gaan kweken? Nee, absoluut niet. Het gaat hier om de instelling. Een kijk op de wereld, waar je iets zelf uitzoekt, waar je rustig fouten mag maken, waar goede vragen net zo tellen als goede antwoorden. Dat zijn vaardigheden die je later ook prima kunt gebruiken, bij mij op het instituut, maar ook in een eigen bedrijf.

Ondertussen benadrukt de toenemende vraag naar toetsing cognitieve vaardigheden ten koste van proefondervindelijk leren. Rekenen en taal laten zich nu eenmaal gemakkelijker schriftelijk testen dan het stellen van een goede vraag. In Nederland werpt de Citotoets een lange schaduw naar voren. En ontwikkelingen in het buitenland stemmen alleen maar somberder, want het testvirus verspreidt zich agressief. Zo worden in Engeland zelfs kleuters al jaarlijks getest. Ook in de Verenigde Staten zullen scholen en leerlingen hard worden afgerekend met het Leave no child behind-initiatief van president Bush. We moeten oppassen voor het `soufflé-effect'. Zoals iedere kok weet: als je steeds weer de oven openmaakt om te kijken of het baksel al gerezen is, wordt het nooit iets.

Gelukkig is er nu een initiatief van overheid en bedrijfsleven om techniek actief op de basisschool te brengen, met een niet onaanzienlijk budget van zo'n 50 miljoen euro. (Voordat men zich in China zorgen gaat maken: dat is een mooie legodoos per leerling.) Dit initiatief is mede ingegeven door de schreeuwende vraag naar vaktechnici in de industrie; daarom betaalt het bedrijfsleven ook mee. Gaan ze een keer echt op de kleintjes letten.

Gelukkig lijkt de techniek nu, mede door de inspanningen van de KNAW, ook verbreed te gaan worden met wetenschap. Dat is goed, want het zou toch zonde zijn als Nederland zich hier op z'n smalst zou laten zien. Er is niet alleen behoefte aan meer machinebankwerkers, maar ook aan genenbankwerkers, bloedbankwerkers of ING-bankwerkers.

Zoals gezegd, het materiaal is ontwikkeld, er is genoeg expertise, ook in het nabije buitenland, en de belangen zijn groot. Minister Maria van der Hoeven heeft haar hart als oud-docente op de goede plaats zitten en kan door dit soort initiatieven te stimuleren nu laten zien wat echt innoveren is.

Wetenschappers zeggen graag dat kinderen van acht de perfecte onderzoekers zijn. Maar misschien moeten we het ook wel omdraaien: onderzoekers zijn de perfecte achtjarigen. Wie anders verzinnen namen als zwarte gaten, witte dwergen of rode reuzen?

Hier is Alexendre Grothendieck aan het woord, een van de grootste wiskundige genieën van de twintigste eeuw: (Ik vertel u bij een latere gelegenheid wel hoe het precies met hem is afgelopen.) `Ontdekking is het privilege van het kind, het kind dat geen angst heeft om iets fout te doen, om voor gek te staan, om niet serieus genomen te worden, om niet als iedereen te doen. Dat kind is in ons allen.'

Vanavond gaan we trouwens even een kijkje nemen op Titan, de grootste maan van Saturnus. Reist u mee?