Net gewone mensen

Terrorisme is deze week ineens heel nabij gekomen in Nederland. Maar wat voor mensen zijn die terroristen? Op zoek naar de mind set van een moeilijk te definiëren groep.

IN 1986 ZETTE de Jordaanse Nezar Hindawi zijn zwangere Ierse vriendin op een El Al vlucht naar Israël. Hij had haar kort daarvoor de belofte gedaan dat hij in Israël met haar in het huwelijk zou treden. Maar zo ver is het niet gekomen: Hindawi had een bom in haar bagage geplaatst. Die werd weliswaar tijdig ontdekt, maar niettemin had de Jordaniër de bedoeling zijn vriendin letterlijk de lucht in te laten vliegen en met haar de andere passagiers. Is zo'n man krankzinnig? Volkomen gewetenloos vanwege een gebrek aan empathisch vermogen? Of zou het ook een hele aardige, invoelende man kunnen zijn, die helaas door een obsessie is bevangen?

Anders gesteld: bestaat de mindset van `de' terrorist, zoals er langzamerhand wel profielen van seriemoordenaars bestaan? En als die terroristenmindset bestaat, hoe ziet hij er dan uit? Wie een mindset vindt kan terroristen misschien vroegtijdig opsporen. De AIVD zou er veel aan kunnen hebben bij zijn selectie van de 150 meest verdachte radicale moslims.

Onderzoekers die zich met de sociologie en psychologie van het terrorisme bezighouden doen vaak weinig of geen moeite om de begrippen `terrorist' en `terrorisme' haarscherp te definiëren, omdat de vele pogingen die daartoe zijn gedaan evenzovele en zeer gevarieerde definities hebben opgeleverd, vaak inadequaat. Meestal volgt men simpelweg de in nogal algemene woorden gestelde definitie van het U.S. State Department: terrorisme is politiek dan wel religieus gemotiveerd geweld tegen burgerdoelen, door `subnationale' groepen of clandestiene agenten, met de bedoeling een bepaald `gehoor' te bereiken en of te beïnvloeden. Het grote probleem met deze definitie is natuurlijk dat wat in Amerikaanse ogen een terroristische daad is, in de ogen van anderen een daad van verzet kan zijn. En waar ligt de grens met `een daad van oorlog', `staatsterrorisme' en `gewone guerrilla'? Zeker, het binnenvliegen van de Twin Towers mag een terroristische daad worden genoemd. Maar hoe zit het met de Amerikaanse aanval in 1986 op Lybië? Kolonel Gadaffi wist het wel: het was een terroristische daad van het zuiverste water.

vernietigenMeer eenstemmigheid is er als het gaat om de gevaarlijkste terroristen. Algemeen worden religieus gemotiveerden door onderzoekers als de gevaarlijkste beschouwd. In tegenstelling tot terroristen die een nationalistisch of separatistisch doel nastreven, menen religieuze terroristen niet alleen dat God hun acties goedkeurt, maar ook dat hij, in zijn strijd tegen de Grote Satan, van ze vraagt de `ongelovigen' te vernietigen. Ze werken als het ware in opdracht. Voorts baseren religieuze terroristen zich vaak op heilige teksten waarin historische gebeurtenissen staan beschreven die alsnog gewroken moeten worden. De aanslag in Madrid bijvoorbeeld zou ook een wraakneming geweest zijn op de herovering van Spanje op de moslims, door de christenen in de middeleeuwse Reconquista. Al dan niet vermeende dreigingen in hier en nu spelen veel minder een rol. Dit verklaart enigszins dat de aanslagen óf een symbolisch (WTC) óf een nogal `blind' karakter hebben (Madrid), gericht tegen `de' Joden, `de' Christenen, `de' Kruisvaarders (aanvankelijk heette de beweging van Bin Laden `Het Islamitische Wereldfront voor de strijd tegen de Joden en de Kruisvaarders').

Religieuze terroristen hebben er soms ook geen enkel bezwaar tegen terrorist te worden genoemd. Toen Ramzi Yousef, het brein achter de bomaanslag op het WTC, in 1995 te horen kreeg dat hij tot 240 jaar gevangenisstraf was veroordeeld, riep hij uit: ``Ik ben een terrorist en daar ben ik trots op!''

Het idee van een terroristische mindset impliceert dat terroristen een bepaalde persoonlijkheidsstructuur hebben ontwikkeld (of er zelfs mee zijn geboren). Een legioen klinisch psychologen en psychiaters is op zoek geweest naar die mindset. Maar met uitzondering van de Japanse sekteleider Shrinrikyo die saringif liet strooien in de metro en van wie is komen vast te staan dat hij een paranoïde stoornis heeft, ontbreken goede gevalsbeschrijvingen. Het blijft bij algemene hypotheses. Zoals de op Freud geënte, die zegt dat er bij terroristen iets mis is gegaan in de vroege ontwikkeling, waardoor ze sterk narcistische trekken hebben, oftewel een `grandioos zelf'. Dit zou de groepsleden van een terreurbeweging beschermen tegen een gevoel van schaamte. Ook wordt het `splittingsmechanisme' genoemd, waardoor de terrorist de goede en slechte kanten van het `zelf' niet kan integreren. En dat leidt dan weer tot zwart/wit denken: `ik ben goed, jij bent slecht'. Maar erg veel aanhang hebben deze hypotheses niet. Hetzelfde geldt voor de door aan aantal psychologen aangehangen frustratie-agressie hypothese: terroristisch gedrag is een antwoord op niet vervulde politieke, economische en persoonlijke behoeften. Andere psychologen noemen deze hypothese simplistisch, want gebaseerd op de aanname dat agressie altijd voortkomt uit frustratie.

vernedering en wanhoopMaar is een Palestijnse zelfmoordaanslag dan niet een daad die wordt ingegeven door vernedering en wanhoop? De psycholoog Ariel Merari die tot 1998 een aantal zelfmoordterroristen heeft geïnterviewd, die hun aanslag had overleefd, kwam tot de conclusie dat dit zelfs bij deze mensen niet het geval is. In termen van educatie, socio-economisch status, de gezinnen waarin ze opgroeiden en persoonlijke karaktertrekken weken ze op geen enkele manier af van de gemiddelde populatie waaruit zij voortkomen. En ook was er geen sprake van gevoelens van hopeloosheid of `ik heb niets te verliezen', noch waren deze mensen (bijna allemaal jonge mannen en ongehuwd) extreem religieus en slechts weinigen hadden een familielid verloren als gevolg van Israëlische aanvallen. De primaire verantwoordelijkheid legt Merari dan ook bij de organisaties die deze jongeren rekruteren, om ze vervolgens dermate te indoctrineren dat er geen weg meer terug is, bijvoorbeeld door een op video vastgelegd testament achter te laten. Nu gebiedt de eerlijkheid hieraan toe te voegen dat de Palestijnse psychiater Mahmud Sehwail het oneens is met de bevindingen van Merari. Zijn ervaring is dat zelfmoordterroristen die hun daad overleefden, al voor de aanslag vaak aan een posttraumatische stress-stoornis leden, en dat meer dan een kwart van de Palestijnen klinisch depressief is.

Maar zelfs als dit waar is, is de psychopathologische benadering - in z'n algemeenheid - ontoereikend. Want waaruit blijkt dat als iemand een posttraumatische stress-stoornis heeft, hij daardoor de neiging heeft zelfmoordaanslagen te plegen? En als het klopt dat een aantal zelfmoordterroristen in feite depressief is, zijn het dan eigenlijk niet `gewone' suïcideplegers, waarbij het terroristische framework hen een excuus en een legitimatie biedt om ook anderen de dood in te jagen? De ontoereikendheid van de pychopathologische benadering blijkt ook uit het onderzoek van de psycholoog David G. Hubbard (1971) naar vliegtuigkapers. Uiteindelijk kwam Hubbard tot de conclusie dat deze mensen psychisch ziek waren, met als gemeenschappelijke kenmerken: seksuele verlegenheid, een timide en passieve persoonlijkheid, een tamelijk beperkte intelligentie, een geweldadige (alcoholische) vader, een diep religieuze moeder, etc. Punt is alleen dat er talloze van deze mensen rondlopen zonder de geringste neiging tot terrorisme. Zo lopen er ook psychopaten, borderliners en mensen met schizofrenie rond, die weinig kwaad aanrichten.

Maar er lopen natuurlijk ook `krankzinnige' terroristen rond. Zo was er het geval van Klaus Jünschke, de behoorlijk gestoorde `aanvoerder' van het `Socialistisch Patiënten Collectief', een Duitse terroristische groep die gelieerd was aan de Baader-Meinhof groep. Maar afgezien van wat individuele gevallen, is er weinig evidentie voor het idee dat terrorisme in z'n algemeenheid samengaat met psychiatrische stoornissen. Of zoals de onderzoeker/psycholoog Martha Crenshaw (1981) het zegt: ``Het meest opvallende gemeenschappelijke kenmerk van terroristen is het feit dat ze normaal zijn.''

Iets dergelijks zegt onderzoeker Maxwell Tailor (1984). Hij meent dat mensen met een psychiatrische stoornis eenvoudigweg ongeschikt zijn voor het functioneren in een terroristische groep. Bovendien, betoogt hij, zullen hun motieven niet ideologisch of religieus zijn, maar eerder op het persoonlijke vlak liggen. Hierbij kan gedacht worden aan de man die enige tijd terug een aantal mensen in gijzeling nam in de Amsterdamse Rembrandttoren, omdat zijn breedbeeld TV soms zwarte randen vertoonde. Ook de gestoorde unabomber bleek uit persoonlijke grieven te handelen.

psychische krachtenEen onderzoeker die het verdient in de context van de psychiatrisch zieke terrorist apart te worden genoemd, is Jerrold Post (1990). Zijn hypothese is dat terroristen gedreven worden door `psychische krachten', waarbij hij met name naar leden van de ETA en IRA heeft gekeken. Hij stelt dat de haat tegen de `anderen' hen in het bloed zit, doorgegeven van vader op zoon. Ook heeft hij de IRA en de ETA vergeleken met de RAF. Posts conclusie: de leden van de IRA en ETA plegen terroristische daden om zo de missie van hun vaders voort te zetten (en om het hen aangedane leed te wreken), terwijl de leden van de RAF met hun terroristische daden de wereld van hun vaders trachtten te vernietigen. Veel RAF-leden waren als `kinderen zonder vaders' omdat ze hun vaders haatten vanweg hun nazi-verleden. Onder de laatsten zullen we volgens Post dan ook meer psychische conflicten en dus psychopathologie aantreffen dan bij leden van de IRA en ETA.

In het verlengde van de psychopathologische benadering van terroristen ligt de benadering van de terrorist als fanaticus. De aanhangers van deze benadering benadrukken de rationele kwaliteiten van de terrorist: hij is een koele, logisch denkende planner. Ook zijn ze vaak goed opgeleid, en in staat tot geavanceerde retorische en politieke analyses. Nu zou je natuurlijk kunnen stellen dat bij de `ware' fanaticus een steekje los zit, en dat hij daardoor wel degelijk in de categorie `psychiatrische patiënten' valt. Maar Tailor is het hiermee niet eens: ``Fanatisme is geen diagnostische categorie.'' Hij merkt echter eveneens op dat fanatici niettemin een aantal gemeenschappelijke kenmerken hebben: ze zijn buitengewoon vooringenomen en autoritair, er is geen bereidheid tot compromissen, alternatieve gezichtspunten worden terzijde geschoven, kortom, hun overtuigingen zijn zeer rigide; hun perceptie van de wereld reflecteert hun gesloten, in zwart/wit ingedeelde wereldbeeld.

Voor een beter begrip van het fenomeen `fanatisme' vindt Tailor bovendien dat ook de cultureel/religieuze context in ogenschouw moet worden genomen. Dat er een cultureel/religieus element meespeelt, lijken zelfmoordterroristen te bewijzen die met hun acties uit zijn op het martelaarschap. Het is een uitgesproken feature van islamitisch gemotiveerd terrorisme en van de Tamils uit Sri Lanka en Zuid-India. In ieder geval tot 2000 waren de laatste zelfs koploper in het aantal zelfmoordaanslagen. Ook gebruiken de Tamils cyaankalicapsules om, als ze gepakt worden, ondervragingen te voorkomen door de capsule meteen in te nemen. Het is trouwens niet zo dat het bij zelfmoordacties altijd om aanslagen hoeft te gaan, waarbij de dader zichzelf mede opblaast. De Palestijnse Hamasbeweging laat bijvoorbeeld zien dat leden soms aanslagen plegen, waarbij met opzet niet is voorzien in een ontsnappingsplan. Hetgeen de kans groot maakt dat de pleger van de aanslag het er niet levend vanaf zal brengen; het is een soort indirecte zelfmoord. Hetzelfde gold voor de aanslagen die eind 1985 zijn gepleegd op de Weense en Romeinse vliegvelden door handlangers van Abu Nidal. Ook hierbij waren geen ontsnappingsroutes in de planning opgenomen.

De historicus Bernard Lewis lijkt echter niet zoveel te zien in het culturele aspect. In zijn boek `What went wrong'(2002) merkt hij op dat de huidige islamitische radicalen dichter bij de geest van het fanatieke katholicisme van de Contra-Reformatie staan dan bij traditionele aspecten van de moslimgeschiedenis. Terwijl ook het fenomeen `religieuze politie', zoals we die thans in Iran kennen, al terug is te vinden in 'onze' tijden van de Inquisitie. Tegen het idee dat dit soort aanslagen een culturele component hebben, pleit ook dat al in de 19de eeuw dergelijke aanslagen werden gepropageerd door West-Europese anarchistische bewegingen. Hield Mikhail Bakoenin het nog op `propaganda door actie', de anarchisten Karl Heinzen en Johann Most zagen in de combinatie moord/zelfmoord de hoogste vorm van revolutionaire strijd.

familietraditieNog een heel andere manier om naar het fenomeen `terrorisme' te kijken, is door de bril van de socialisatietheorie. Zo noemt de onderzoeker Silke (2001) het niet toevallig dat terroristen vaak opgroeien op plaatsen waar het gebruik van geweld tamelijk normaal is, zoals in het het Midden-Oosten, Noord-Ierland, etc. Voor jonge mensen kan geweld daardoor de norm worden, mede om een bepaald doel te bereiken. Silke ziet de ontwikkeling naar terrorisme dan ook voornamelijk als een socialisatieproces. Een bepaalde katalysator kan dan de rest doen, zoals in het geval van het doodschieten van een 12-jarige Palestijnse jongen door Israëlische soldaten (in 2000 in Netzarim). Na veel media-exposure leidde dit incident tot een dramatische verhoging van terroristisch geweld in de regio. Soms is het ook een kwestie van het volgen van de familietraditie; het geweld wordt naar het voorbeeld van `rolmodellen' als het ware geïmiteerd. Fields (1978) vond in een longitudinale studie over 8 jaar dat het blootgesteld worden aan geweld op jongere leeftijd een tendens op gang kan brengen naar terrorisme op volwassen leeftijd.

Terug naar de terroristische mindset en de eventuele mogelijkheid van profiling. Welnu, hoewel je natuurlijk zou kunnen beweren dat de `groeps-mindset' van religieuze terroristen paranoïde trekken vertoont, is toch de algemene opvatting van onderzoekers dat die mindset niet bestaat: tussen terroristen bestaan ongeveer evenveel overeenkomsten als verschillen. En met het profielen wil het derhalve ook niet erg vlotten. In de woorden van de Jerrold Post (1985): ``Gedragwetenschappers die proberen de psychologie te begrijpen van mensen die aangetrokken worden tot dit soort politiek geweld, zijn er niet in geslaagd om een aparte terroristische mindset te identificeren.'' Inderdaad, als we het veld van voormalige en huidige terroristen overzien, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat er vele culturen, nationaliteiten en ideologieën in het spel zijn, alsmede dat terroristen voortkomen uit alle lagen van de bevolking. Hun persoonlijkheden en karakteristieken zijn, met andere woorden, even divers als die van de doorsnee bevolking. Het zijn net gewone mensen.