Neem voorbeeld aan vmbo

Al langer dan vandaag zijn de bijdragen van de heer Prick mij een doorn in het oog. Hij geeft keer op keer blijk van een visie op onderwijs die niet zou misstaan bij een `Back to the Fifties' beweging. Zo waren het op 9 oktober het vmbo en de Onderwijsraad die een veeg uit de pan kregen. Ofschoon ik mij de kritiek van de heer Prick op de Onderwijsraad kan voorstellen inzake het advies tot stimulering van kleine scholen, slaat hij met zijn opmerkingen over het vmbo al langer de plank volledig mis. Hij pleitte al eerder voor een zelfstandige mavo omdat `dit schooltype leerlingen de mogelijkheid bood van uitstel van keuze'. In de praktijk van alledag blijkt echter slechts een klein deel van alle mavo-leerlingen (nu vmbo-t) de overstap naar de havo te (willen) maken. Dat rechtvaardigt op geen enkele manier de huidige inrichting van deze t(heoretische)-leerroute als voorbereidend op de havo. Bij een vmbo hoort een beroepsgerichte component in élke leerroute. Dus schaf de `t-leerroute' maar af.

Ik denk echter dat het de heer Prick om iets heel anders gaat in zijn strijd tegen het vmbo. Eigenlijk denk ik dat hij deze hele schoolsoort te min vindt. En dat hij vreest voor de toekomst van havo en vwo nu het vmbo de mavo heeft `ingepikt', want `What's next?' Hij heeft zich in eerdere bijdragen een groot voorstander getoond van kennisvergaring als ultiem doel van het Voortgezet Onderwijs. Nu blijken leerlingen van het vmbo op dat punt in het algemeen niet zo sterk te scoren. Het zijn geen studiebollen, zeker niet als het gaat om kennis an sich. Maar zijn deze leerlingen daarom minder? Leerlingen in het vmbo hebben behoefte aan praktische kennis die gekoppeld is aan hun leven van alledag of aan hun toekomstig beroep. Zij hebben behoefte aan kennis als ondersteuning van hun handelen, misschien zelfs nog meer als verklaring achteraf. Zij leren moeilijk uit een boekje maar veel meer door iets te doen. En, anders dan de meer aangepaste leerlingen in havo en vwo hebben zij er al langer blijk van gegeven dat de klassieke manier van lesgeven, de klassikale benadering met de docent als kennisoverdrager, hen niet langer bevalt. En daar gaat het ideaal van de heer Prick: de leerling als hol vat waar leerkrachten en onderwijspedagogen van alles in kunnen storten.

In tegenstelling tot wat Prick vaak beweert, heeft het onderwijs in Nederland een grote behoefte aan vernieuwing. Of, laat ik het anders zeggen, de leerlingen in het voortgezet onderwijs in Nederland hebben die behoefte. In het vmbo heeft men lering getrokken uit ervaringen met niet gemotiveerde leerlingen en zijn onderwijsvormen ontstaan als Natuurlijk Leren, Het Nieuwe Leren, Probleem Gestuurd Onderwijs, Taakgericht Leren, Leer Werk Trajecten en Werkplekkenstructuur of Werkplekkensimulatie. Pedagogisch didactische varianten waarin leerlingen meer verantwoordelijkheid krijgen voor het tempo en de diepgang van hun eigen leertraject. Pogingen die een wetenschappelijke basis vinden in een constructivistische opvatting over leren die stelt dat ieder mens aan de hand van zijn ervaringen een eigen werkelijkheid creëert.

De havo's en vwo's in Nederland zouden er goed aan doen eens te gaan kijken in het vmbo. Er zijn voorbeelden te over van praktische vernieuwingen die gebruikt zouden kunnen worden om het leren op havo en vwo te voorzien van meer maatschappelijke context. Om naast het leren van de huidige vakinhouden de – nu vaak ontbrekende – oriëntatie op en kennismaking met mogelijke beroepen / werkvelden een prominente plek te geven in de opleiding. Want daar is een middelbare school toch ook voor bedoeld?