Middeleeuwer was erg lang, 18de-eeuwer 't kortst

In de vroege middeleeuwen waren mannen in Noordwest-Europa niet veel kleiner dan tegenwoordig. Pas vanaf de twaalfde eeuw nam de lengte af, tot een dieptepunt in de achttiende eeuw. Na 1750 werden de mannen weer langer, met een versnelling in de twintigste eeuw. Dit blijkt uit een review van econoom en antropoloog Richard H. Steckel (universiteit van Ohio) van verschillende historische studies naar lengte, meestal op basis van de lengte van dijbenen in graven in Scandinavië, Groot-Brittannië en Nederland (Social Science Studies, zomer 2004).

Steckels bevindingen gaan in tegen de algemene opvatting dat de mensen sinds de invoering van de landbouw, ca 10.000 jaar geleden, eigenlijk altijd veel kleiner zijn geweest dan nu - door hongersnoden en infectieziekten. De jagers-verzamelaars die eerder leefden (de Cro Magnon-mensen) waren wel behoorlijk lang. Pas door de moderne infectieziektenbestrijding zou de mens weer op de `oude' gemiddelde Cro-Magnonlengte van 170 à 175 cm zijn gekomen.

Nu blijkt dus echter dat de gemiddelde lengte van mannen in ieder geval in Noordwest-Europa in de eerste helft van de middeleeuwen maar liefst 173,4 centimeter was - met een record van 176 cm in Zweden. Daarna trad krimp op. In de zeventiende en achttiende eeuw was de gemiddelde lengte nog maar 167 cm, met een dieptepunt van 166 cm in Holland. Na 1750 ging de lengte stijgen, tot in de twintigste eeuw weer vroegmiddeleeuwse lengtes werden bereikt. Ter vergelijking: Nederlandse dienstplichtigen aan het begin van de twintigste eeuw waren gemiddeld 170 cm. De huidige Nederlandse gemiddelde mannenlengte is nu 180 cm.

Steckel stelde al in eerder onderzoek vast dat de gemiddelde lengte meestal daalt door de verstedelijking, maar toeneemt naarmate men toegang heeft tot vruchtbare landbouwgrond. Ziektes en armoede in de steden verkleinen de lengte, goede voedselvoorziening vergroot die. Daarnaast leidt ook isolement tot grotere lengte, waarschijnlijk door een verlaagde kans op infectieziekten van buiten.

De forse lengte in de vroege middeleeuwen betekent volgens Steckel dat er toen minder honger en ontbering werd geleden dan wel eens wordt aangenomen. Waarschijnlijk was ook het relatieve isolement in deze landbouweconomie van belang. De afname daarna wijt Scheckel aan een aantal fenomenen: de `kleine ijstijd' van 1450 tot 1700 die de voedselproductie trof, toenemende inkomensongelijkheid (meer armoede voor meer mensen), verstedelijking en toename van de handel (besmettingsgevaar), oorlogen en de komst van nieuwe ziekten uit de pas ontdekte koloniën. Dat juist in de tijd van de industrialisatie in de negentiende en twintigste eeuw de lengte weer toenam wijst er volgens Steckel op dat ook in die tijd de bevolking duidelijk beter af was – in tegenstelling dus met de veronderstelling van sommige pessimistische economische historici.