Hoenderloo Kootwijk

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week op de Veluwe.

De zon geeft kopjes aan de stammen van de beuken, schurkt tussen de varens, over het mos en langs de bosbesstruiken. De nevel neemt het heft in handen. Eerst zet hij de eiken en de dennen in soft-focus, dan opent hij de aanval met witte wieven, ze dwalen over het pad, tussen de toppen van de bomen maken ze kwartier.

Dit weer bevordert stilte. De vogels houden hun snavel.

De bossen zitten vol met druppels: glanslak op de bladeren, kristal tussen de naalden van de dennen. Aan de uiteinden van de takken van elke opgroeiende spar blinken spinnenwebben als juweliersetalages. Het zand is klam tot drijf. Er landde een vloot ijle vliegende schoteltjes, die houdt zich nu schuil als een verzameling natte platte zwammetjes.

En alles houdt zich gedeist. Bij deze rust is de rode jas van die ene wandelaar elders tussen de bomen een maximale gebeurtenis.

Bij dit languissante weer behaaglijk wandelend door het natuurwellustige Veluwse gebied, rol ik mijn voeten een tijdje bewust van hakken naar tenen: ,,Hè, wat kraken die eikeltjes lekker.''

Man grijnst zijn grijns: ,,Die eikeltjes van jou zijn beukeltjes.''

Ik heb het liever niet, maar hij heeft gelijk. De beukennootjes liggen in een dikke laag onder de beukenbomen, hun dophoedjes bleven vaak achter aan de beukentakken. Eikels of beukels, ze zijn goed kraaksel.

Het wordt tijd voor sloffen en schoppen, door dikke lagen afgevallen blad. Het blad van de eik klinkt niet anders dan het blad van de beuk. Naalden wel, die klinken niet, ze dempen. En beheerst de modder, vol diepe sporen van cross-fietsers van gisteren, vervolgens het pad, dan zingt hij onder onze voeten een zuigende rap-song. De modder probeert ons te dissen maar wij glijden niet uit.

Het bos uit, de heide op. De mist vergroot hem uit tot oer-proporties, want waar de vlakte ophoudt is niet te onderscheiden. Scherpe gele halmen en bruine heidestruiken met verhoute stelen en vergrijsde bloesem verdringen elkaar aan weerszijden van een dubbel spoor met een hoge rug ertussenin. Gestalten in de nevels blijken jeneverbesstruiken te zijn, geen kromgegroeide monsters met graaiende ledematen.

Er arriveert een zachte bries. Er vliegt één vogeltje op. Het zweeft, de vleugels tegen zich aan. Het duikt door de lucht als een bolbuikige flitsvis door de oceaan.

De vogel en de bries brengen de zon terug. In het bos, opgelicht in vlekken, vallen de blaadjes per stuk. Telkens zweefvliegt er eentje naar beneden; dwarrelen is te veel gezegd.

16 km. Kaarten 8, 9, 10 uit: Marskramerpad. Uitg. Wandelplatform-LAW, Amersfoort 2000. Openbaar vervoer is er niet. Tel. regiotaxi 0318 655777.