'Hey Rita, where's your accent?'

Op 21 december wordt jazz-zangeres Rita Reys tachtig jaar. Bijna een halve eeuw geleden, in 1956, schreef ze geschiedenis door in New York platen te maken met The Jazz Messengers.

Voor het boek Rita Reys: Lady Jazz, dat over twee weken verschijnt, sprak Bert Vuijsje uitvoerig met haar over haar eerste Amerikaanse avontuur. Over producer George Avakian, die haar ontdekte.

Over haar eerste echtgenoot, de drummer Wessel Ilcken.

En over de samenwerking met drummer Art Blakey en pianist Horace Silver.

'Op een avond in de Sheherazade in Amsterdam stond er een Amerikaan aan de bar die zei: ”Ik wil Rita Reys even spreken”. Ik keek in zijn richting en dacht: jezus, wat een rare vent. Hij had van die zwarte ogen en hij was al redelijk kaal, maar hij had wel een mooi gezicht, zo'n Armeens gezicht. Ik ben toch maar even naar hem toegegaan en ik zeg: ”You wanna talk to me?” Ja, zegt hij, en hij begint zo'n verhaal: dat hij me zo goed vond zingen en dat hij het leuk zou vinden als ik naar Amerika kwam om een plaat te maken.

'Ik dacht: die kerel lult. Ik had het al zo vaak meegemaakt dat ze zeiden: je moet zus en je moet zo, we hebben grote plannen met jou. En daar kwam dan nooit iets van terecht. Dus ik zeg: ”Nou, dan hoor ik wel wanneer ik moet komen.” En ik denk: daar hoor ik niks meer van. Maar het bleek George Avakian van Columbia Records te zijn en hij heeft me inderdaad uitgenodigd. Dus ben ik in april 1956 naar New York gegaan.

'Mijn man Wessel zou natuurlijk meegaan, want New York was zijn grote droom. Dat zou ik ook enig hebben gevonden, maar het werd al snel duidelijk dat hij niet in Amerika werd toegelaten. In die tijd moest je een paar weken van

tevoren een visum aanvragen en dat kreeg hij niet, omdat hij op de zwarte lijst van druggebruikers stond.

'In New York nam George

Avakian mij onder zijn hoede. Hij zette me eerst in een leuk hotelletje en later in een appartementje aan West End Avenue in Manhattan. George was zo weg van mijn manier van zingen dat hij me overal mee naar toe nam. Hij bracht me naar Birdland, naar de Village Vanguard in Greenwich Village, en overal ging ik meezingen. Daardoor kreeg ik ook gigs, geen grote dingen maar toch aardige schnabbeltjes.

'In Birdland had je een ontzettend goed publiek. Het waren bijna allemaal zwarten en die schreeuwden en swingden allemaal met mij mee. Anita O'Day en Carmen McRae kwamen er ook, een hoop van die grieten die allemaal meezongen. Carmen vond ik een goeie zangeres, maar geen swinger. Haar voordracht was wel heel mooi. Anita O'Day zong altijd erg onzuiver en haar tekst was vaak niet te verstaan. Ze slikte al haar woorden in, net of ze iets in haar keel had. En haar timing vond ik vreselijk, naar mijn gevoel swingde het voor geen cent.

'We gingen een keer in een club naar Clifford Brown kijken, de fantastische trompettist die een paar maanden later zou verongelukken. Ik zat heel aandachtig te luisteren, maar ik ben nu eenmaal impulsief, dus ik zei tegen George: ”He looks like a monkey”. George werd helemaal gek. ”Rita! Rita! Dat kun je niet zeggen. Rita, please don't!” Wist ik veel, ik vond hem net een aap.

'George Avakian introduceerde mij bij het agentschap van Billy Shaw, de Shaw Artists Corporation. Ik moest min of meer proefzingen. Ik had ergens een optreden en toen zijn ze komen luisteren. Daarna gingen ze mij boeken in clubs, maar ze haalden voor de publiciteit wel zeven jaar van mijn leeftijd af. Ze presenteerden me als een zangeres van 24. Tja, hoe jonger je bent, hoe mooier je zingt. Dat geldt voor vrouwen eigenlijk nog steeds.

'Ik heb twee weken in Boston gewerkt, in Storyville. Dat was de club van George Wein, een lullig klein kluppie met houten stoeltjes. Je kunt het vergelijken met de Sheherazade in Amsterdam, hoewel die er toen al mooier uitzag. George Wein was een kwal van een vent. Hij betaalde heel weinig en als je maar eventjes stilstond kwam hij meteen vragen: ”Hé, wanneer ga je weer eens wat doen?”

'Ze waren in Amerika toen nog verschrikkelijk streng tegen zwarten, vooral in relatie met een blanke. Ik weet nog goed dat ik over Broadway of Seventh Avenue wandelde met de manager van een of andere negergroep. Het was een mooie jongen, sharp gekleed, groot en vrij licht van kleur. Wij liepen op het trottoir en aan de overkant liep een stel matrozen met van die petten op. Ze zagen mij lopen met die jongen - we liepen gewoon een eind van elkaar af - en ineens staken ze de weg over en gingen ze voor mij lopen met hun hielen op mijn tenen.

'Wij zeiden niks, we liepen heel rustig door. Ik heb alleen gezegd: ”Please, leave me alone, I'm not doing anything wrong”. Toen gingen die matrozen weer weg, maar op datzelfde moment passeerden er twee joodse mensen en ik hoorde de een tegen de ander zeggen: ”Oh look, there's another whore. They're coming out of bed or they are going to bed.” Zo ging dat, het was afschuwelijk.

'George Avakian had gevraagd: ”Wie wil je achter je hebben als we die plaat gaan maken?”

Ik zei: ”Nou, dat weet ik nog niet.” Want zo vreselijk wijs was ik op dat gebied niet.

”Vraag het dan aan Wessel”, zei George.

Ik heb Wessel een brief geschreven of een telegram gestuurd; precies weet ik het niet meer, maar telefoneren deed je nog niet. Wessel zei meteen: ”The Jazz Messengers moet je nemen” - want die waren toen heel hot.

Dat zei ik tegen George en hij begon een beetje te glimlachen. ”Zou je dat nou wel doen? Het zijn allemaal zwarten.”

”Nou ja, waarom niet, dat kan toch”, zei ik.

”Het maakt in wezen ook niet zoveel uit”, zei George. ”Laten we het maar doen.” En zo is het tot stand gekomen.

'Ik ontmoette de muzikanten pas op de dag van de opname in de studio, maar de kennismaking was bijzonder vriendelijk. ”Hello Rita” - het gaat daar gelijk bij de voornaam, hè. De sessies liepen ook heel vlot, die jongens waren ontzettend aardig. We hebben fantastisch gewerkt.

'Het was even de stukken doornemen en doorlopen, opnemen en klaar. Het ging allemaal in goede harmonie. De jongens waren een en al respect.

'De enige die een keer iets zei was George Avakian. Hij zat als producer in de controlekamer, hoog daarboven achter het glas. Er moest even iets over en toen riep hij door de speaker: ”Hey Rita, where's your accent!” Hij vond mijn buitenlandse accent een leuke gimmick, maar dat was ik kwijt doordat ik al drie weken alleen maar Amerikaans sprak.

'Ik ben achteraf alleen niet tevreden over de kwaliteit van mijn platen met de Messengers. Toen ik Wessel om advies vroeg, heeft hij natuurlijk helemaal niet nagedacht. Hij zei gewoon ''The Jazz Messengers'', omdat hij Art Blakey zo'n verschrikkelijk goeie drummer vond. Mij zei die naam helemaal niks en het bleek dus wel een goeie drummer te zijn, maar ik vond het niet een swinger achter een zangeres. Als ik had geweten hoe The Jazz Messengers werkelijk klonken, dan zou ik de boel met Avakian hebben doorgesproken om te kijken wat hij voor ideeën had. En dan waren we waarschijnlijk uitgekomen bij een stel lekkere muzikanten die beter bij mij pasten. Osie Johnson, later Grady Tate, dat waren zalige drummers voor een zangeres.

'Ik weet dat die platen met de Messengers mij internationaal bekend hebben gemaakt en toch had ik er achteraf spijt van. Muzikaal kreeg ik er geen kick van. Ik vond het niet lekker swingen.

'Ik zat vaak 's middags in Charlie's Tavern. Dat was een artiestencafé waar alle grote jazzboys kwamen. Ze zaten daar omdat New York in de zomer bloedheet was en in Charlie's hadden ze een heerlijke airco. Ik had daar een leuk contact met iedereen. Oscar Pettiford, Zoot Sims, ze zaten er allemaal.

Muzikanten onder elkaar, we hadden de grootste lol.

'Al die grote muzikanten uit Charlie's hoorde je wel op platen, maar ze verdienden nog niks. Eigenlijk waren ze allemaal sidemen, die voor alles en nog wat konden worden ingehuurd. Als er ergens in een studio iets te doen was, kwamen ze meteen aanhollen - zelfs zo'n beroemde bassist als Oscar Pettiford. Dat vonden ze prachtig, want dan verdienden ze weer wat. Ze woonden ook allemaal in onbenullige stinkappartementjes.

'Ik was niet eenzaam in New York, maar na een tijdje begon ik wel te voelen dat ik mijn kind weer wilde zien. Je kunt zo'n kind toch niet constant alleen laten. Dat was de hoofdreden dat ik na tweeëneenhalve maand ben teruggegaan naar Nederland.' M

Rita Reys: Lady Jazz, geschreven door Rita Reys en Bert Vuijsje, verschijnt half november bij uitgeverij Thomas Rap. Het boek wordt zaterdagavond 20 november gepresenteerd tijdens een concert in het Pim Jacobs Theater te Maarssen.

Diezelfde dag wordt ook een nieuwe CD van Rita Reys uitgebracht:

Tribute to Pim (Fieldwork Records

FWR 260404), een hommage aan haar tweede echtgenoot, Pim Jacobs (1934-1996).

Bert Vuijsje is journalist en jazzkenner.

Don Hunstein (1928) ging in 1956 bij Columbia werken, aanvankelijk in een administratieve functie.

Later ontwikkelde hij zich tot fotograaf en uiteindelijk werd hij hoofd van de fotostudio van Columbia.