Het is de schuld van de Makamba's

Na vijftig jaar gaat het halfslachtige Koninkrijksstatuut eindelijk op de schop.

De werkgroep-Jesurun bepleit een revolutionaire nieuwe status voor de Nederlandse Antillen: meer zelfstandigheid, maar ook grotere controle. Het voorstel kreeg een gunstig onthaal. Maar intussen worstelt Curaçao met de erfenis van Anthony Godett. Hij heeft het alomtegenwoordige racisme op het eiland als politiek wapen ingezet. Waarom is dat racisme zo sterk op Curaçao?

Gesprekken met Curaçaoënaars in Nederland over de haat tegen de makamba's.

Het is begin mei 2003. Ik wil naar Punt Kanon rijden, het meest oostelijke deel van Curaçao, en onderweg Duivelsklip zien. Vanuit Willemstad eerst richting Santa Barbara en dan rechtuit naar Fuik. Maar bij Fuik loopt de smalle weg plotseling dood in de kunuku, het gortdroge Curaçaose landschap, dichtbegroeid met cactussen. Mijn rechtervoorwiel hangt in een diepe kuil. Tweehonderd meter verder, onbereikbaar, zie ik een gloednieuwe asfaltweg in het harde zonlicht naar het Oosten kronkelen. Urenlang probeer ik een verbinding met deze weg te vinden.

Ik stop onderweg. Een zwarte wegarbeider legt het uit. 'Dat is het Land van Maal. Je kunt er niet in. Als je het toch probeert, word je er vanaf geschoten.' Het hele oostelijke deel van Curaçao, 10 procent van het eiland, een gebied zo groot als Sint-Maarten, is sinds de afschaffing van de slavernij, 140 jaar geleden, particulier bezit van de blanke, van oorsprong Hollandse familie Maal. De wegarbeider vloekt en spuit zijn woede over 'die rijke makamba'. Makamba is het Papiamentse scheldwoord voor Hollander en betekent letterlijk indringer. Ook al woont de familie Maal meer dan 140 jaar op het eiland, pater familias Willy Maal is en blijft een makamba.

In de maand die ik op Curaçao doorbreng wordt me de praktische betekenis van dat woord glashelder gemaakt. Een deel van de eilandbewoners is buitengewoon vriendelijk, maar in de meeste winkels, supermarkten en op straat word ik vooral door de groep zwarte Curaçaoënaars met een vijandig soort onverschilligheid en norsheid bejegend. Even vaak word ik volledig genegeerd. Een groet of een knik wordt zelden of nooit beantwoord. Men kijkt dwars door je heen of kijkt je met de nek aan. En ik maak ook zeldzame staaltjes van onbeschoftheid mee.

De zwarte Curaçaoënaars die me niet als een lepralijder tegemoet treden, blijken vaak van elders uit de Caraïben te komen. Daarna ben ik ruim een week op Bonaire, waar ik volkomen andere ervaringen heb. De overgrote meerderheid van de Bonairianen - blank en donker - is relaxed, gastvrij, aardig en vriendelijk.

Op 9 mei 2003 vierde de omstreden leider Anthony Godett in Willemstad de spectaculaire overwinning van zijn partij Frente Obrero Liberashon 30 di Mei (fol) in de eilandraadsverkiezingen. Ruim een derde (34 procent) van de kiezers stemde op het Frente bij deze 'gemeenteraadsverkiezingen' van Curaçao. Het politieke establishment op het eiland was geschokt. Ook Anthony Godett heeft het vaak over de makamba's. De makamba's maken de dienst uit op het eiland, vindt hij, en dat moet maar eens afgelopen zijn. Tijdens zijn verkiezingscampagne speelde Godett voortdurend in op de anti-makambagevoelens bij zijn electoraat en sloeg hij soms onverbloemd racistische taal uit.

Waar komen die sterke anti-Hollandse sentimenten op Curaçao vandaan? Leven ze alleen bij Godetts achterban? Welke rol speelde Nederland in zijn succes? En hoe moet het verder met de moeizame verhouding tussen Nederland en de Antillen? Met die vraag benaderde ik Curaçaoënaars en andere Antillianen die in Nederland wonen.

In de lik

Tot de dag van de verkiezingen van vorig jaar zat Godett nog in de lik op verdenking van oplichting en het aannemen van steekpenningen. Hij kwam niet door de 'screening' en kon geen premier worden. In plaats daarvan schoof hij zijn zuster Mirna Louisa-Godett naar voren als premier. Haar kabinet viel nog geen jaar later, in april 2004. Twee maanden daarna trad een nieuw kabinet aan, ditmaal onder leiding van Etienne Ys van de Partido Antias Restrukturá (par).

In de negen maanden van zijn bestaan had het kabinet van Louisa-Godett geen spoor van beleid ontwikkeld, zelfs een regeerprogramma kwam nooit tot stand. Het kabinet deelde honderd banen uit, de economische crisis op het eiland duurde voort en het begrotingstekort liep verder op.

Anthony Godett werd in december 2003 veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, in hoger beroep omgezet in vijftien maanden. Hij werd veroordeeld wegens omkoping en het oplichten van de overheids-nv's Post en Curinta. Tegen dit vonnis ging hij in cassatie. Op 8 september dit jaar werd Godett opnieuw gearresteerd, nu op verdenking van lidmaatschap van een criminele organisatie en corruptie. Bij deze zaak was ook de onlangs overleden Frente-voorman en voormalig minister van Justitie Ben Komproe betrokken. Die zorgde er voor dat tientallen Colombiaanse en Dominicaanse prostituees de visumplicht konden ontduiken, hij deed zijn best een gedetineerde drugsbaron vrij te krijgen en regelde ook dat een andere kompaan, Nelson Monte, acht maanden zonder medische indicatie in een ziekenhuis verbleef - in plaats van in de gevangenis. Monte wordt algemeen beschouwd als de godfather, de grote poppenspeler die binnen het Frente aan de touwtjes trekt. Godett is inmiddels weer vrij.

Volksjongen met grote bek

'Het Frente is één grote bende criminelen. Bij het Frente zit geen enkele goede bedoeling. Ze willen alleen de macht om zichzelf en hun vriendjes te verrijken', zegt advocaat Roan Lamp (37) onomwonden. Lamp groeide op Curaçao op. Zijn vader, minister van Onderwijs in het tweede kabinet-Pourier, is Antilliaan, zijn moeder Nederlands. Hij werkte 3,5 jaar als advocaat in Willemstad, maar woont sinds een half jaar in Amsterdam. 'Het fol kon alleen maar groot worden, omdat de problemen op Curaçao zo groot zijn. Eigenlijk gaat het al 25 jaar economisch slecht met het eiland. En dat heeft de grootste impact op de armen. De rijken zijn niet per se rijker geworden, maar die rijkdom is veel zichtbaarder, veel Latijns-Amerikaanser dan vroeger. Het Frente maakt gebruik van die frustratie, maar - dat is het wonderlijke - maakt die kloof tussen arm en rijk groter.'

Kennelijk gaat het ook om perceptie. Anthony Godett is zwart, een volksjongen die een grote bek opzet tegen Nederland. Hij spreekt de underdog aan en schoffeert de gevestigde politieke partijen. Leden van zijn fol-kabinet hebben oppositieleden uitgescholden voor 'verkrachters', 'fascisten' en 'misgeboortes'.

'Godett speelt in op de laagste sentimenten van de bevolking', zegt Carel de Haseth (53), die toen ik hem sprak al voor de derde keer (tijdelijk) gevolmachtigd minister van de Nederlandse Antillen in Den Haag was, nu voor het kabinet van Etienne Ys. De gevolmachtigd minister vertegenwoordigt de Antilliaanse regering in de ministerraad van het Koninkrijk. De Haseth is een afstammeling van de groep protestantse, blanke, Europese kolonisten die vaak al vanaf de Napoleontische tijd op het eiland wonen. 'Godett speelt daarbij ook de raciale kaart. Als een gemeenschap het moeilijk heeft, is het heel makkelijk om een zondebok aan te wijzen. Dan geef je de schuld aan Nederland en de Nederlanders. Als je dat maar vaak genoeg roept, gaat dat een eigen leven leiden.'

Godett speelt in op raciale gevoelens, maar dat kaartspel is onnavolgbaar op Curaçao. Hij noemde zijn politieke tegenstanders niet alleen marionetten van Nederland, maar ook 'bomba's' (slaven die slavenopzichter werden) en 'zwarte makamba's'. Op Curaçao heten ze ook wel Oreo's, naar de populaire Oreo Cookies, zwart van buiten en wit van binnen.

De Nederlandse zakenman en multimiljonair Jacob Gelt Dekker (56) noemt Godett ronduit 'een zwarte racist'. 'Godett zei letterlijk in het openbaar dat de pers zijn bek moest houden. Dat hij iedereen die kritiek op hem had, ging aanpakken. Hij intimideert en is een man van de tirannie, een fascist van de bovenste plank. Als je de slavernij - die in 1863 is afgeschaft - gaat oprakelen, dan is dat pure demagogie.'

Gelt Dekker is een paar weken over uit Curaçao. Ik spreek hem in zijn Amsterdamse grachtenhuis. Gelt Dekker heeft zijn hart verpand aan Curaçao. Hij vestigde een deel van zijn zakenimperium op het eiland, knapte een deel van de totaal verloederde wijk Otrobanda in Willemstad op, gaf een deel van de chollers (verslaafden) daar een baan, bouwde er een luxe hotel, een slavernijmuseum en schiep de afgelopen jaren honderden banen. 'Het racisme op Curaçao is nog nooit zo sterk geweest als nu, helemaal opgezweept door het fol. Ze hadden een dagelijks televisiespotje met de slogan: ”De Hollanders hebben de apartheid uitgevonden. En nu wij dat ook willen, moeten ze hun bek houden.” Godett fabriceert fictieve historische gebeurtenissen en blaast die rücksichtslos op. Aan de andere kant moet je je wel realiseren dat maar 18.000 van de 170.000 inwoners op Curaçao op het fol hebben gestemd. Zo groot is die groep niet.'

Onderlinge discriminatie

Dat raciale tegenstellingen een grote rol spelen op Curaçao, daar zijn eigenlijk al mijn gesprekspartners het over eens. 'Het is op het bizarre af', zegt Franco Cicilia (41). Hij werd geboren op Aruba, maar groeide op op Bonaire en woonde ook op Curaçao. Hij kwam eind jaren tachtig naar Nederland en werkt als business analyst bij een Amsterdamse effectenbank. 'Er wordt onderscheid gemaakt naar huidskleur. Hoe lichter, hoe beter of juist omgekeerd, afhankelijk van de groep waar je bij hoort. Alles speelt een rol: of je kroeshaar hebt of een rechte neus, uit welk dorp je komt, op welke school je hebt gezeten en je afkomst natuurlijk. Of je Portugees, Haïtiaans, Benedenwinds of Bovenwinds, Arubaans of Bonairiaans bent. De Dominicanen worden door de Curaçaoënaars echt als uitschot beschouwd. Antillianen discrimineren elkaar onderling allemaal. Dat speelt ook op Aruba en Bonaire, maar op Curaçao is het veel extremer, enorm gepolariseerd.'

Of je Papiaments spreekt of niet is ook belangrijk. Cicilia bezocht samen met drie Bonairiaanse vrienden een kledingwinkel in Willemstad. Ze spraken onderling Nederlands. 'Die jongens zijn allemaal net zo donker als ik. Maar we werden letterlijk met de nek aangekeken en niet geholpen. Ik hoorde ze in het Papiaments zeggen: Wat denken die gasten wel!' Ook op de middelbare school had Cicilia die ervaring als hij met Antilliaanse Nederlanders een praatje ging maken. 'Door de donkere Antillianen werd ik dan gezien als makamba pretu, een zwarte makamba. Die groepen leven helemaal langs elkaar heen.'

Jennifer Smit (52) herkent veel in het verhaal van Cicilia. Ze is voor een paar maanden over uit Curaçao. Ik spreek Jennifer samen met haar zus Paulette die in Amsterdam werkt als actrice en toneelschrijfster. Ze zijn geboren en getogen op Curaçao, spreken vloeiend Papiaments. Hun vader is Nederlands. Van moeders kant zijn de zussen van sefardisch-joodse afkomst. De groep Portugese joden, zoals men ze meestal op eiland noemt, zijn de oudste bewoners van Curaçao. Zoals veel Antillianen trokken Jennifer en Paulette naar Nederland om te studeren.

Jennifer keerde in 1992 terug naar Curaçao. Ze is kunsthistorica en werkt als freelance curator. 'Op Curaçao is het nu politiek incorrect om iets positiefs te zeggen over Nederland', zegt Jennifer. 'Het is ook politiek incorrect om niet Papiaments te spreken. Nederlands is bijna een verboden taal geworden. Ik vind dat heel ver gaan. Op bijvoorbeeld Aruba gaan ze toch wel heel anders met het koloniale verleden om. Op Curaçao wordt de haatdragendheid erin gestampt door de politiek. De Nederlanders hebben de boel verstierd. Dat komt goed aan, dat klinkt lekker.'

Zwarte middenklasse

'Er bestaan hele scherpe raciale tegenstellingen en spanningen op Curaçao. Daar kunnen we kort over zijn, maar Godett vertolkt wat er al leeft. Het is niet per se een uiting van racisme, eerder een uiting van frustratie', zegt Arthur Kibbelaar (38). Hij werkt bij de diplomatieke dienst van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij is geboren op Curaçao, groeide deels op Curaçao en deels in Nederland op. 'De aanhang van het fol zit vooral bij de zwarte arbeidersklasse, die in dertig jaar tijd geen werkelijke vooruitgang heeft geboekt. Ze schoppen nu tegen de groep die het wel goed heeft en in overwegende mate blank is.'

Godett fulmineert enorm tegen de Partido Antias Restrukturá (par), die bij de verkiezingen in 1994 de grootste partij ooit op Curaçao werd en onder premiers als Miguel Pourier en Etienne Ys in een aantal achtereenvolgende kabinetten en ook in de huidige regering domineert. Pourier en Ys zijn allebei donkere Antillianen. 'De par haalde bij de eerste verkiezingen 40 procent van de stemmen', betoogt Carel de Haseth, mede-oprichter van de partij, 'Die partij is absoluut gemengd. Er zitten zwarte Curaçaoënaars in, mensen van gemengd bloed, blanken, Portugese joden. Dus het gaat niet om afkomst.'

'Het beeld is diffuus geworden', erkent Arthur Kibbelaar. 'De partijen zijn niet zoals vroeger afgebakend langs raciale grenzen. De par kwam op, omdat het electoraat de oude partijen zat was. Het kleur-issue overheerste niet. Maar eenmaal in het zadel, manifesteerde die partij zich als de partij voor de middenklasse. Ze hebben hele goede dingen gedaan, maar in hun sociaal-economische beleid deden ze bar weinig voor de arme zwarte bevolking. De afgelopen decennia is er ook een zwarte Curaçaose middenklasse opgekomen. De par is vooral de partij van de blanke elite en die welvarende zwarte middenklasse. Dat er nu zwarten in de politieke top zitten, wil nog niet zeggen dat er geen raciale scheidslijnen zijn. Het is raar om Godett te verwijten dat hij de racistische kaart speelt, want de raciale tegenstellingen zijn diepgeworteld in de Curaçaose samenleving. Het Frente bestaat al dertig jaar. Ik denk dat veel zwarte Curaçaoënaars net zo denken als Godett.'

'Maar als er zo'n haat is tegen Nederlanders, waarom zit dan een derde deel van de Antillianen in Nederland?', zegt gevolmachtigd minister Carel de Haseth. 'Voor een deel zijn dat juist de armen, de achterban van het fol. Maar de houding is heel tweeslachtig: nog geen vier jaar voor de overwinning van het fol stemde een veel grotere groep op de par, die de banden met Nederland juist wilde aanhalen.'

Have's en have not's

Is de houding van veel Curaçaoënaars tweeslachtig of is de gemeenschap domweg ernstig verdeeld? Advocaat Roan Lamp denkt dat het allebei waar is. 'Als Godett het heeft over de ander, dan bedoelt hij de makamba's, maar ook de zwarten uit de middenklasse en in het algemeen de ontwikkelde mensen. Er bestaat een tweedeling op Curaçao, maar die loopt niet volledig langs raciale grenzen.' Lamp hanteert zelf de begrippen have's en have not's. Bij de have not's zit een deel van de fol-achterban, niet alleen de arme zwarte Antillianen, Dominicanen en Haïtianen, maar ook de arme blanke Venezolanen en Colombianen. 'De have's zijn de groepen die altijd al welvarend waren: de Portugese joden en de afstammelingen van blanke Europeanen. Daarnaast heb je de arbeidsmigranten die dertig jaar geleden arm waren, maar nu over de lijn gestapt zijn: de Chinezen, de Hindoestanen, de Libanezen en de groep uit Madeira (op Curaçao de Portugezen genoemd). En ten slotte heb je inmiddels een redelijk grote groep welvarende zwarten en Curaçaoënaars van gemengd bloed.

'Maar waar je bij hoort, heeft niet alleen met welvaart te maken. Welke auto je rijdt, of je Papiaments spreekt en hoe je je politiek opstelt, dat zijn allemaal belangrijke dingen. De voormalige vakbondsman Errol Cova (minister van Economische Zaken in het kabinet van Louisa Godett) is een blanke Venezolaan, maar hij wordt door de meerderheid van de zwarte bevolking als één van hen gezien.'

Volgens kunsthistorica Jennifer Smit is in de afgelopen decennia de sociale mobiliteit van allerlei verschillende etnische groepen sterk toegenomen. 'Toen ik opgroeide, waren blank en zwart strikt gescheiden en waren de verhoudingen duidelijker. Je hoorde bij de ene of de andere groep. Nu loopt het veel meer door elkaar. Het was vroeger vanzelfsprekend dat je dokter blank was, nu niet meer. Ik zie zwarte Antillianen nu op veel meer belangrijke posities, zowel economisch als politiek. Dat is enorm veranderd.' Ook Carel de Haseth benadrukt die sociale stijging: 'Voormalig gouverneur Saleh is in Bonaire geboren, maar zijn ouders zijn Libanees. Je ziet die groepen razendsnel integreren en allerlei functies bekleden. De top van de bankwereld bestaat helemaal uit Antillianen. Dit is een heel erg verbrokkelde gemeenschap die op een klein gebied leeft. Geen van de bevolkingsgroepen kan domineren.'

Arthur Kibbelaar is het daar niet mee eens. 'Op Curaçao hebben naast de Hollanders de oude protestants blanke en de joodse elite het jarenlang voor het zeggen gehad. Dat is een feit. Een groot deel van de elite is nog steeds behept met een superieure houding. Ook dat is manifest. Economisch nemen ze nog steeds de meest vooraanstaande posities in op het eiland. De economische status van een Curaçaoënaar wordt deels nog steeds bepaald door raciale afkomst. In het openbaar wordt daar niet over gesproken, maar het is overal voelbaar en zichtbaar. Het wordt niet uitgesproken, maar het duikt overal weer op.'

Overal duikt het weer op, maar waar komt het vandaan? Hebben de makamba's zich zo misdragen op het eiland? 'Het gaat niet om het feit dat je blank bent, maar Hollander', zegt advocaat Roan Lamp. 'Je hoort tot de groep die - zo ziet men dat - hun leed heeft veroorzaakt. Het is klap en tegenklap. Een deel van de Nederlanders gedroeg zich absoluut arrogant en superieur. Je werd op je kleur afgerekend. Zwarten mochten dertig jaar geleden bepaalde buurten niet in.'

Lamp doelt op de twee zogeheten makamba-dorpen die vroeger op Curaçao bestonden. De wijken Julianadorp en Emmastad die Shell voor zijn werknemers bouwde, waren jarenlang voor de meeste zwarte Curaçaoënaars niet direct toegankelijk. 'Dat een deel van de zwarte Curaçaoënaars de Nederlander als de onderdrukker ziet, heeft met die emotie te maken. Dat is na dertig jaar nog niet verdwenen. Die woede is terecht, maar Godett doet er iets fouts mee. Hij maakt de makamba's de zondebok. Maar bij elke peiling blijkt ook weer dat 90 procent van de bevolking niet onafhankelijk wil worden.'

'Een deel van de Nederlanders was zeker hooghartig', erkent de blanke Carel de Haseth. 'Als je het idee hebt dat je niet meetelt omdat je zwart bent en je wordt geconfronteerd met hooghartigheid, dan barst de bom. Het houdt me heel erg bezig, omdat ik merk dat er een hele groep zwarte Curaçaoënaars is, die het moeilijk heeft met zijn eigen identiteit. Dat is dieptriest en tragisch. Een deel van de zwarte Antillianen discrimineert mij. Maar een deel ook niet. Dat bestaat allemaal naast elkaar.'

De joodse Jennifer Smit ervaart die makamba-haat al heel haar leven aan den lijve, ook al woont haar moeders familie al meer dan 250 jaar op het eiland. 'Natuurlijk. Maar dat is heel normaal voor blanke Antillianen, we weten niet beter. Je leert ermee omgaan. Aan de andere kant: als je ziet hoe de joden en Arabieren hier met elkaar omgaan, dat is uniek in de wereld.'

De opstand van 1969

De meeste Curaçaoënaars in dit verhaal wijzen op het belang van de opstand van 30 mei 1969. Toen werd al heel duidelijk hoe slecht de verhoudingen tussen de zwarte bevolking en de Hollanders waren. Anthony's vader, vakbondsleider Wilson 'Papa' Godett, organiseerde toen samen met Amador Nita en Stanley Brown een wilde staking tegen de arbeidsomstandigheden op de Shell-raffinaderij. De staking groeide uit tot een protestmars die volkomen uit de hand liep en een deel van Willemstad in de as legde. Nederlandse mariniers grepen in en liepen met stenguns door de straten. De 'revolte', waar niet meer dan 800 mensen aan deelnamen, leidde tot de oprichting van het fol. Voor Carel de Haseth kwam het niet als een verrassing. Hij werd al in 1967 weggestuurd bij een herdenking van de eerste grote slavenopstand van Tula en Karpata (1795). 'Ik hoorde er niet bij. Nederlanders hadden daar niets te zoeken. Punt uit. Vanaf de opstand van 1969 ging het fol bewust inspelen op de tegenstellingen, het wij-zij-gevoel, de nadruk leggen op de eigen identiteit. Dat is tragisch, want eigenlijk is iedereen hier gemengd. Dat is hét kenmerk van de Caraïbische cultuur. Niemand kan zeggen dat hij honderd procent blank of zwart is. Als je racistisch denkt, ontken je een deel van je eigen afkomst.'

Arthur Kibbelaar ziet de opstand van '69 als een historisch keerpunt in de emancipatie van de zwarte Curaçaoënaars, waarvan 'de betekenis niet overschat kan worden, een breuk met het kolonialistische verleden'. Veel Curaçaoënaars beschouwen de revolte als een historisch scharniermoment dat ook concrete veranderingen teweegbracht. Er kwamen betere cao's. Voor het eerst in de Antilliaanse geschiedenis werden zwarten op belangrijke posten benoemd en kwam er een zwarte gouverneur. Sommigen constateren dat de opstand ook een sterk raciaal karakter had, en gericht was tegen de Nederlanders op het eiland. Business analist Franco Cicilia vindt dat veel Curaçaoënaars wel heel erg in het verleden blijven hangen, ook al 'werd er tot in de jaren zestig enorm onderscheid gemaakt tussen blank en zwart'. 'Dat koloniale verleden duikt voortdurend op. Arubanen en Bonairianen gaan ervan uit dat je jezelf moet redden. Curaçaoënaars roepen altijd: Nederland moet ons helpen. Dan wordt altijd de slavernij er weer bijgehaald. Dat is niet alleen de aanhang van Godett. Een groot deel van het eiland denkt zo.'

Verschillende van mijn gesprekspartners benadrukken dat negatieve zelfbeeld van veel Curaçaoënaars: 'De Nederlanders moeten het voor ons doen. We kunnen het zelf niet, dan wordt het een grote rotzooi.' Cicilia vindt dat een deel van de Curaçaoënaars daarnaast een fors attitudeprobleem heeft. 'Veel Curaçaoënaars voelen zich wel heel snel gediscrimineerd. Dienstbaar zijn aan een ander wordt gezien als iets minderwaardigs en vernederends, als onderdanigheid. Door die houding komen ze niet vooruit. Waarom zou ik hard werken? Oogkleppen op, we zien wel waar het schip strandt, die mentaliteit. Op het eiland hebben de Nederlanders de cafés en de clubs, de Portugezen de supermarkten, de Chinezen de restaurants, de joden, Libanezen en Indiërs de mooie winkels. Iedereen die Curaçao binnenkomt, werkt keihard. En wat hebben de Curaçaoënaars? De snacks. Hun rolmodel is de snack-uitbater.'

Zestigduizend armen

Arthur Kibbelaar is bepaald geen aanhanger van Anthony Godett: 'Ik vind iemand die corrupt is en de rechterlijke macht intimideert, verwerpelijk.' Maar hij ziet het wel als de verdienste van de Frente-leider 'dat hij de armoede op de agenda heeft gekregen'. 'Dat was een schrijnende noodzaak. Hij weet echt wat er in de arme wijken speelt. Ik zeg niet dat ze een oplossing bieden. Ze hebben niets klaargespeeld. Dat is hun grootste probleem.'

'Voor de middengroepen is er voldoende werk op Curaçao', zegt Jacob Gelt Dekker, 'maar voor de armen is er geen vangnet. Zij moeten zien te leven van een bijstandsuitkering van 150 euro per maand en dat lukt niet. Dus een deel gaat in de drugshandel. Met één transport kunnen ze tien tickets kopen. Je ziet hele gezinnen op vliegveld Hato staan, die naar Nederland vliegen en daar in de bijstand terechtkomen. Ik geef ze geen ongelijk. Dat Nederland dat niet leuk vindt, is dan jammer. Had men maar eerder wakker moeten worden. Er is geen enkele goede reden waarom de sociale voorzieningen op Curaçao niet net zo goed zouden zijn als in Nederland. Als een Curaçaoënaar 62 wordt en met pensioen gaat, wordt hij meteen uit het ziekenfonds gegooid. Dat is toch krankzinnig?'

Gelt Dekker en ook advocaat Lamp schatten het aantal 'armen' tussen de veertig- en zestigduizend mensen, afhankelijk van de Europese armoedenorm (500 euro per maand) of het lokale criterium (350 euro). Maar ook de groep die wel werk heeft, knoopt met moeite de eindjes aan elkaar. 'Een winkeljuffrouw verdient op Curaçao 800 Antilliaanse guldens (368 euro) per maand. Dat zit maar net boven de armoedegrens', zegt Lamp. 'Dat is het salaris van een groot deel van de bevolking. Dat is volstrekt ontoereikend, als je bedenkt dat de prijzen vaak twee keer zo hoog zijn als in Nederland. Veel Curaçaoënaars overleven, doordat ze met acht man in familieverband wonen. Ze eten dan elke dag een heel eenzijdige maaltijd van rijst en kip.'

Van de armoede op Curaçao lijkt de Nederlandse politiek niet echt wakker te liggen.

Of weten de Nederlandse politici dat niet? 'Natuurlijk weet men dat in Nederland', zegt Jacob Gelt Dekker. 'Op Curaçao heb je zesduizend overnachtingen van Nederlandse ambtenaren en politici per jaar. Ze komen hier allemaal op snoepreis. Een enorm misbruik. Men weet exact wat hier gebeurt. Ze hebben alleen niet de politieke moed om er wat aan te doen.'

Pourier verraden

Een dieptepunt in de verhouding met Nederland vormen de gebeurtenissen in 2001 rond de bezuinigingen van het kabinet-Pourier. De als integer beschouwde Miguel Pourier van de par voerde vanaf begin 2001 op aandringen van Nederland een ingrijpende saneringsoperatie uit. Ruim 1500 ambtenaren, 30 procent van het corps, werden ontslagen, een omzetbelasting werd ingevoerd, verschillende overheidsbedrijven geprivatiseerd. Het kabinet-Kok had de Antillen overbruggingskredieten voor herfinanciering van de staatsschuld toegezegd als de vijf eilanden een akkoord met het imf zouden sluiten. Dat akkoord kwam uiteindelijk niet tot stand, waardoor het beloofde extra geld uit Nederland nimmer loskwam. Curaçaoënaars spreken over het 'verraad van Gijs de Vries', naar de toenmalige staatssecretaris van Koninkrijksrelaties.

'Pourier is verraden door Nederland', zegt ook Jacob Gelt Dekker. 'De Antillen hadden voldaan aan de meeste imf-eisen, maar kregen het geld niet. Toen ontstond die enorme agressie op het eiland. Het gevoel was: ze hebben ons weer belazerd. En ze hebben gewoon gelijk.' Advocaat Roan Lamp formuleert het nog scherper. 'Nederland heeft zich ronduit schofterig gedragen. Het was een mirakel dat de Antilliaanse kiezers Pourier hadden gekozen. Die heeft radicaal bezuinigd, er is toen heel veel gebeurd. Alleen hun sociale beleid kwam nooit van de grond. Dat was hun grote fout. Door de bezuinigingen werd de recessie nog dieper, de begrotingstekorten liepen weer op, de werkloosheid en armoede groeiden. Een groot deel van het electoraat is toen bij de verkiezingen van 2003 naar het Frente gegaan. Nederland is absoluut medeschuldig aan de opkomst van Godett.'

'De deur is in Pouriers gezicht dichtgeslagen', beaamt actrice Paulette Smit (47). 'Veel Curacaoënaars kwamen tot de conclusie dat de nette, keurige aanpak van Pourier niet heeft gewerkt. Ze hadden het gevoel dat ze de communicatie voorbij zijn. We moeten iemand hebben die diepzwart is, van het volk en onbeschoft. Dat is gewoon lekker, appelleert aan een oergevoel. Hij durft een grote mond te hebben. Diep in mijn hart vind ik dat ook geweldig. Maar dat hij vervolgens racistische onzin uitkraamt, is natuurlijk heel tragisch.'

De witte mars

Op 16 februari 2004 protesteerde een deel van Curaçaose bevolking tegen de 'onzin', de intimidatie, discriminatie en corruptie van het fol. Vijfduizend eilandbewoners liepen mee met de ingetogen protestmars. Het was de grootste demonstratie die ooit op Curaçao werd gehouden. De protestbijeenkomst werd vanwege de witte kleding van de demonstranten de Witte Mars gedoopt. Er namen vooral veel mensen uit het bedrijfsleven en de vrije beroepen deel. 'Dat deel van de bevolking dat zich over het algemeen weinig financiële zorgen hoeft te maken', zegt advocaat Roan Lamp die zelf ook meeliep. 'Maar wel mensen die anders nooit de straat op gaan. Het was een heel duidelijk signaal. Iedereen was verbijsterd dat er 5.000 man kwam opdraven. De sfeer was geweldig.'

'De onmachtigen liepen niet mee', zegt Carel de Haseth. 'Want die mensen zijn nog steeds bang om voor hun mening uit te komen, want dat betekent dat ze niet in aanmerking komen voor een volkswoning of hun baan kunnen verliezen. Er is iets damned rotten in onze samenleving.'

'De cultuur van de angst stamt nog uit de tijd van het kolonialisme: Jij moet doen wat wij zeggen, anders raak je je baan of je pensioen kwijt', zegt Gelt Dekker. Maar hij ziet die angst wel afnemen. 'Vroeger zag je nooit ingezonden brieven, nu wel. En de Witte Mars is absoluut aanleiding tot optimisme. Men is bereid om te investeren en te werken.'

Maar dan moet er eerst nog een ander fors probleem opgelost worden. Geld lenen is op het Caraïbische eiland gemiddeld drie keer zo duur als in Europa. De hypotheekrente ligt rond de 12 procent, de financiering van een auto kost 18 procent rente. 'Op Curaçao kun je geen hypotheek regelen, niet eens voor een huis', zegt Gelt Dekker. 'En doordat de kapitaalmarkt vastzit, zit de economie totaal vast.' Maar ook de prijzen van veel producten en diensten zijn buitengewoon hoog op Curaçao. Basisvoorzieningen als water en elektriciteit zijn peperduur, en ook allerlei levensmiddelen zijn vaak twee tot drie keer zo duur als in Nederland.

Marktmonopolies

Deels heeft dat te maken met het feit dat het eiland zelf weinig produceert en vrijwel alles moet importeren. Maar de belangrijkste oorzaak is de monopolisering van de markten door een kleine groep ondernemers en een aantal overheidsbedrijven. Curaçao is te klein om die monopolies te kunnen doorbreken, denkt advocaat Roan Lamp. 'Er zijn zo'n 25 ondernemers op het eiland met een omzet van 50 tot 75 miljoen Antilliaanse guldens. Op Curaçao zijn dat de hele grote boys, die een heel marktsegment kunnen dichtspijkeren. Van bier, tot koffie, frisdranken, verzekeringen en kapitaal, noem maar op. Ze werken al dertig, veertig jaar in die volledig afgeschermde markt. Met honderdduizend gulden kunnen ze een politieke partij steunen en volledig afhankelijk van ze maken. De rente is krankzinnig hoog, maar de directeur van de machtigste bank, Maduro & Curiel's, wil dat natuurlijk graag zo houden. Hoe kan een premier van de Antillen tegen die 25 grote jongens op? Zij zijn veel te machtig.'

'Als je de monopolies op het eiland zou breken, krijg je weer toegang tot de kapitaalmarkt. En dat is een cruciale voorwaarde om de economie van de grond te krijgen. Daarmee zul je de gevestigde orde in hun portemonnee treffen, de grote boys. En daarvoor heb je backing uit Nederland nodig.'

Maar eerst moet de politieke situatie op Curaçao zelf radicaal verbeteren, vindt Arthur Kibbelaar, ambtenaar op Buitenlandse Zaken in Den Haag. 'We zitten nu politiek-maatschappelijk in een totale patstelling. We moeten eerst de hand in eigen boezem steken, anders komen we niet verder. Er is onderling veel te veel wantrouwen tussen de verschillende bevolkingsgroepen, voortdurende strijd en intriges en er is geen enkele politieke partij die die tegenstellingen kan overbruggen. De raciale tegenstellingen op het eiland zijn een belangrijk obstakel om tot een volwassen samenleving te komen. Maar als je dat niet durft uit te spreken, kun je niet eens beginnen aan een oplossing. Let's deal with the shit. Alleen dan kunnen we onszelf uit het moeras trekken.' M

Paul Andersson-Toussaint is journalist. Hij werkt regelmatig voor M.

Jildiz Kaptein is fotograaf.

Vincent Mentzel is staffotograaf van NRC Handelsblad.

[streamers]

'Godett is een man van de tirannie, een fascist van de bovenste plank.'

'Op Curaçao is het nu politiek incorrect om iets positiefs te zeggen over Nederland.'

'De economische status van een Curaçaoënaar wordt nog steeds bepaald door raciale afkomst.'

'Als je het idee hebt dat je niet meetelt omdat je zwart bent, dan barst de bom.'

'Alles speelt een rol: of je kroeshaar hebt, of een rechte neus, uit welk dorp je komt, op welke school je hebt gezeten.'

'Op Curaçao kun je geen hypotheek regelen. En doordat de kapitaalmarkt vastzit, zit de economie ook totaal vast.'