De student als klant

Jasper Tuytel werkte drie jaar aan een nieuw stelsel voor de financiering van het hoger onderwijs. Studenten en universiteiten zien er weinig in.

MET GROEIENDE ergernis las Jasper Tuytel, voorzitter van het college van bestuur van de Hogeschool Rotterdam, deze week de berichten en commentaren over de stelselwijziging in het hoger onderwijs. De plannen voor een heel nieuwe wijze van financiering – met als uitgangspunt de vraag van studenten naar onderwijs op maat – kwamen vorige week vrijdag naar buiten, vlak voor de behandeling van de onderwijsbegroting in de Tweede Kamer. De Kamer besloot deze week echter om de plannen later in een apart debat te bespreken. Hoe de verschillende partijen er over denken is nog niet duidelijk.

Universiteiten en studentenbonden reageerden meteen afwijzend. Zowel in de Volkskrant als in deze krant werden de plannen in een hoofdredactioneel commentaar afgeschoten. Nodeloos ingewikkeld, vond de een. Geen nieuwe revolutie in het hoger onderwijs terwijl we nog nauwelijks zijn bekomen van de vorige, vond de ander. Het nieuwe bekostigingsstelsel is immers minstens zo ingrijpend als de recente invoering van de bachelor-masterstructuur.

Allemaal stemmingmakerij, vindt Tuytel. ``In die commentaren doet men alsof het allemaal niet nodig is, die wijzigingen. Dan vergeet men dat het huidige stelsel heeft geleid tot de hbo-fraude. En dat het huidige stelsel ook voor de universiteiten niet is toegesneden op het nieuwe type student dat ons te wachten staat. De vraag naar hoger opgeleiden neemt enorm toe, het aanbod van havo- en vwo-leerlingen is onvoldoende. We moeten ons richten op andere groepen.''

Zelf zal hij zich niet zo noemen, maar Tuytel is een van de geestelijke vaders van het nieuwe stelsel (zie kader). Als voorzitter van de werkgroep bekostiging van de HBO-raad heeft hij de afgelopen drie jaar de huidige plannen voorbereid. Met voormalig staatssecretaris Nijs viel over een stelselwijziging niet te praten, zegt Tuytel, zij was niet ontvankelijk voor de wensen van de hogescholen. Na het aantreden van haar opvolger Rutte kwam de zaak deze zomer van de grond. Wat nu geldt als een beleidsbrief van Rutte, is in hoge mate opgesteld door de hogescholen en aangepast door de universiteiten. Tuytel: ``Wij hebben de bouwstenen aangeleverd, het ministerie heeft er na overleg met alle partijen een stuk van gemaakt.''

onderzoeken

De aanleiding voor de hogescholen om te gaan nadenken over een nieuw stelsel was de hbo-fraude. Het creatieve boekhouden met buitenlandse spookstudenten kwam eind 2001 aan het licht en houdt de branche sindsdien met eindeloze onderzoeken in de greep.

Tuytel: ``De hbo-bekostiging dateert uit 1987, een tijd waarin men gek was op outputfinanciering. Een derde van de rijksbijdrage aan hogescholen wordt nu nog bepaald door het aantal eerstejaars, tweederde door het aantal afgestudeerden. Diploma's wegen dus veel zwaarder dan de instroom. Daarmee zet je de deur open naar fraude, want het is wel heel verleidelijk om minimaal onderwijs te bieden en toch geld te incasseren voor de diploma's die je afgeeft.''

Al snel kwamen er andere motieven bij om het stelsel om te gooien. Een terugtredende overheid dwingt het hoger onderwijs om meer in te spelen op de markt. Studenten moeten worden gelokt met aantrekkelijke opleidingen. Die studenten komen deels uit het buitenland, dus moet het onderwijsaanbod beter aansluiten op het aanbod elders in Europa. Met name het hbo streeft naar een nieuwe doelgroep, buiten de vrijwel volledig benutte groep havo-leerlingen: de zogenoemde tweedekansers. Mensen die bijvoorbeeld jaren geleden een mbo-opleiding hebben voltooid en alsnog willen doorstuderen, vragen onderwijs dat op hen is toegesneden. Hetzelfde geldt voor de vele allochtone leerlingen die na het mbo verder willen.

Tot ongenoegen van de universiteiten willen de hogescholen één stelsel voor hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs. Dat is logisch, zeggen de hogescholen, gezien de toenemende uitwisseling van studenten en bestuurlijke fusies. ``De universiteiten zijn tevreden met hun stelsel uit 2000, ze willen niets veranderen. Ik vind het te gemakkelijk om tegen ons te zeggen: het is wel goed zo, terwijl we twee keer zoveel studenten hebben. Met zo'n houding laat je de ander in de kou staan.''

studieduur

Volgens de universiteiten is hun huidige financieringsstelsel eenvoudig, prestatiegericht en weinig fraudegevoelig. In een brief aan Rutte schrijft brancheorganisatie VSNU deze week dat vrijwel al hun voorwaarden in het nieuwe stelsel zijn opgenomen, maar dat men er nog steeds ``zeer veel moeite'' mee heeft. De universiteiten eisen iets langer recht op collegegeld voor studenten die een master-opleiding willen volgen.

Vanaf het begin stond voor de werkgroep van de HBO-raad vast dat het nieuwe stelsel uit drie elementen zou bestaan. Ten eerste een vaste voet, een bedrag dat instellingen ontvangen ongeacht het aantal studenten. Universiteiten kennen dit al, voor hogescholen is het nieuw. Daarnaast verandert de bekostiging naar instroom in bekostiging naar inschrijving. ``Je krijgt geld voor de studenten die op dat moment daadwerkelijk bij jouw instelling studeren, niet voor de studenten die ooit bij jou zijn begonnen.'' Tenslotte moet een bescheiden diplomabonus de instellingen prikkelen om studenten af te laten studeren.

Over de onderlinge omvang van de drie onderdelen is lang en veel gesproken. Het ministerie moest de uiteenlopende wensen van hogescholen en universiteiten met elkaar verzoenen en bereikte uiteindelijk een compromis. De gemiddelde bekostiging is daarbij als volgt opgebouwd: 50 procent uit inschrijving, 25 procent uit de vaste voet en 25 procent uit diploma's.

``Daarnaast is er een extra discussiepunt: hoeveel onderwijs per student moet de overheid redelijkerwijs financieren? Zo kwamen we op de leerrechten. Elke student heeft recht op één bachelor en één master-opleiding. Het wettelijke collegegeld geldt vier jaar lang voor de bachelor, anderhalf jaar voor de master. Dat betekent een jaar speling bij de bachelor en een half jaar bij de master. Wie dan nog niet klaar is, betaalt collegegeld dat door de instelling wordt bepaald. Studenten vrezen enorme bedragen, maar ik voorzie dat concurrentie tussen instellingen om de diplomabonus binnen te halen die tarieven laag zal houden.''

rondshoppen

Andere bezwaren van studenten gaan volgens Tuytel evenmin op. De gemiddelde student wil niet jaarlijks van instelling en stad wisselen, zeggen de studentenbonden. ``Klopt, ik verwacht ook dat de meeste studenten in de buurt zullen blijven hangen, ik geloof niet in een grote mobiliteit. Maar dat is ook helemaal niet de inzet van het nieuwe stelsel. Het is niet de bedoeling dat je als een gek gaat rondshoppen, dan sluiten de onderwijsprogramma's inderdaad niet op elkaar aan. Er is ook niet zoveel reden om te gaan shoppen, want binnen één instelling heb je al veel keuzemogelijkheden. Waar het om gaat is dat het makkelijker wordt om je studie een jaar te onderbreken, om bijvoorbeeld te gaan reizen, werken of een buitenlandse stage te doen. En omdat je je als student beter realiseert dat onderwijs geld kost, maak je bewustere keuzes.''

De administratieve lasten om de jaarlijkse studentenbewegingen te registreren, een belangrijk bezwaar van de universiteiten, vallen volgens Tuytel reuze mee. ``Het is juist een betrekkelijk eenvoudig systeem. Alle studenten staan nu al geregistreerd bij de Informatie Beheer Groep, via hun persoonlijke nummer zijn ze goed te volgen.''

En dan is er het meer principiële punt van zowel studenten als universiteiten: de consumentgerichte benadering van onderwijs zal ten koste gaan van de kwaliteit, toenemende concurrentie zal instellingen doen investeren in reclame in plaats van inhoud. Tuytel: ``Die markt en die concurrentie zijn er nu ook al. De slag om de student wordt al gevoerd, we maken allemaal al mooie brochures. Dit is geen pleidooi voor een open bestel, waar zoveel mogelijk aanbieders elkaar doodconcurreren. Het blijft gecontroleerd, onderwijs blijft een publieke zaak.''