Bush is niet onze partner, Bush is de baas

Amerika is machtig genoeg om niet aan het buitenland te hoeven denken. Het buitenland wel aan Amerika. Europese machteloosheid vindt onder meer een uitweg in een diepe frustratie over Amerika, vooral over de huidige president George W. Bush. Is er een uitweg?

Of blijft Europa gewoon nog vier jaar klagen?

John Connally is al ruim tien jaar dood. Lang geleden was hij korte tijd wereldberoemd: de Democraat was gouverneur van Texas en zat naast John Kennedy toen die in Dallas werd doodgeschoten. Hij werd toen half geraakt en zat onder het bloed.

Jaren later, onder president Nixon, werd hij minister van Financiën. Dat was in de tijd dat Amerika zwaar gebukt ging onder de kosten van de Vietnam-oorlog en de wereld er ook nog een hevige recessie bovenop kreeg. Amerika liet toen de dollar-goudstandaard vallen. Het gevolg was een reusachtige devaluatie van de dollar: import werd duurder, export goedkoper en wie had belegd in Amerikaanse staatspapieren, zag zijn belegging in snel tempo afkalven. De buitenwereld betaalde krachtig mee voor de problemen die Amerika in eigen huis had aangericht. John Connally was de man die destijds de fameuze woorden sprak tegen een buitenlands persgezelschap: ,,De dollar is onze munt en jullie probleem.'' Hij was een Texaan en recht-voor-zijn-raap is daar deel van de folklore.

Jaren later heb ik hem en ook de belangrijkste economische adviseur uit die tijd, Herbert Stein, weleens gevraagd of de verhouding met het buitenland in de besluitvorming destijds ooit een rol had gespeeld. Want het was toch niet niks om de buitenwereld zo onverbloemd met de rekening te confronteren. Hun antwoorden waren identitiek, met Connally weer het meest direct: geen enkele.

Op zo'n moment wordt zichtbaar wat het woord `macht' betekent.

Dertig jaar later: de supermogendheid leeft opnieuw op geleend geld. Het lopende tekort op de betalingsbalans gaat naar 6 procent van het bruto nationaal product; opgeteld is het bijna 40procent van het bruto nationaal product. De cijfers lopen snel op. Belastingen zijn verlaagd en de uitgaven verhoogd, Irak is veel duurder geworden dan iedereen had voorspeld, met een schuldenberg als gevolg. Het buitenland belegt onvermijdelijk weer in Amerika – in staatsschuld, in directe en indirecte investeringen. En opnieuw daalt de dollar, opnieuw betaalt het buitenland stevig mee. Japanse en Europese beleggingsfondsen, pensioenfondsen, oliesjeiks, Russisch en Zuid-Amerikaans vluchtkapitaal – iedereen betaalt mee. De dollar is nog steeds hun munt en ons probleem. ,,Financiële tekorten zijn geen probleem'', aldus de huidige vice-president Dick Cheney.

Dat is macht.

President Bush heeft de verkiezingen gewonnen. Maar nooit eerder was de polarisatie zo verbeten, de strijd zo ideologisch gekleurd. Als dan een zittende president niet verder komt dan een fifty-fifty-zege, zegt dat iets over het onvermogen van de zittende president om na vier jaar de bevolking te binden. Het vergt dan ook veel optimisme om te geloven dat hij vanaf nu in een soort Saulus-Paulus-ommekeer wel in staat zou zijn een verzoenend, mild staatshoofd te worden.

Zeker is inmiddels wel dat dit presidentschap geen misverstand is van verkeerd getelde stemmen of een culturele anomalie. Elf staten stemden en passant per referendum tegen het homohuwelijk. Het risico bestaat dat Amerika intern het toneel wordt van wat zelfs de zo rustige Frankfurter Allgemeine Zeitung deze week een Kulturkampf noemde.

Er is in de maanden vooraf eindeloos gespeculeerd over de verkiezingsuitslag en over de gevolgen die dat zou hebben voor de betrekkingen tussen Amerika en Europa. De inschattingen varieerden. Voor de een leek het verschil tussen Bush en Kerry voornamelijk een kwestie van ambiance en humeur. Voor de ander ging het om een serieus verschil tussen een goedmoedig en grootmoedig Amerika en voortzetting van een militant triomfalisme, tussen wat meer Venus of alleen maar weer Mars.

De episode met de dollar toen en de dollar nu leert dat enige behoedzaamheid geboden is met zulke duiding. Een grote mogendheid gebruikt haar macht met of zonder glimlach. Het idee dat hieraan slechts politieke conspiratie of presidentiële manipulatie ten grondslag ligt, is al te romantisch. Het krachtenveld zit aanzienlijk ingewikkelder in elkaar. Ook democratieën geven voorrang aan hun eigen belangen. Of zoals de historicus Eric Hobsbawm het zegt: als ze de macht hebben en het doel geldt als voldoende vitaal, dan rechtvaardigen staten de middelen om dat doel te bereiken. Zeker wanneer ze denken dat ze God aan hun kant hebben.

Tot die krachten van Amerika behoort zeker de ongekende economische groei-explosie van de jaren '90. Maar ook is er de conservatief-culturele revolutie in Amerika die beklijft en een wereld van verschil zichtbaar maakt tussen Europa en Amerika. Tel daarbij op de aanwezigheid van Amerikaanse militairen in 150 landen, een gevoel van kwetsbaarheid jegens een vijandige buitenwereld, een defensiebegroting van meer dan 400 miljard dollar per jaar en een toenemende minachting voor het decadente Europa en het beeld rijst op van tomeloosheid op kosten van een hier gehoopte of gedroomde VN-wereldorde.

Europa biedt als contrast een nogal trieste aanblik. In de meeste landen van de oude Europese Unie miezert het. Er is amper groei, waardoor de strijd om de verdeling harder wordt. Er moet meer worden gewerkt, bedrijven saneren, Azië lonkt, het perspectief ontbreekt en het klimaat verzuurt.

Vier jaar geleden hadden de Europese regeringsleiders het juiste voorgevoel toen ze in Lissabon een grootscheeps revitalisatieprogramma voor onze economieën lanceerden. In bureaucratenjargon: de Lissabon-doelstellingen. Over tien jaar zou de Europese economie concurrerend moeten zijn met de Amerikaanse. Typerend is echter dat Commissievoorzitter Prodi precies op de dag van zijn geplande aftreden vorige week doodleuk meldde: ,,Lissabon is mislukt.'' Welke Europeaan uit het oude Europa realiseert zich dat dit jaar voor de wereldeconomie een van de beste jaren sedert de Vietnam-oorlog was? Praktisch niemand, het gaat aan Europa voorbij gelukkig overigens niet helemaal aan Oost-Europa.

De strijd om de herverdeling van krimpende middelen ondermijnt het gezag van regeringen. Het leidt tot grimmigheid in omgangsvormen en tot verbittering, en het vergroot de toch al geweldige last om grote groepen allochtonen een plek in de Europese samenlevingen te geven. Re-ideologisering en radicalisering begeleiden dit proces. Dat is geen exclusief verschijnsel van de islam. Of het nu herboren christenen zijn of dierenwelzijners alom emotionaliseert het publieke debat en botsen morele aanspraken tegen elkaar. Diverse samenlevingen zijn behoorlijk in de war.

Europese machteloosheid vindt onder meer een uitweg in een diepe frustratie over Amerika, vooral over de huidige president George W. Bush, over diens beleid, diens denkkader, diens stijl, diens militant exceptionalisme. Diepe frustratie werd gevolgd door leedvermaak en I told you so-retoriek, toen Amerika vastliep in Irak. Onder leiding van minister Rumsfeld werd er ook fenomenaal geblunderd vanaf dag één, waarop vergeten werd een avondklok in te stellen, tot vandaag nu jonge Amerikanen met I-pod en hard rock in hun oren afstand tot de werkelijkheid voor hun ogen in Bagdad proberen te houden: adrenaline als tranquilizer voor falend inlevingsvermogen.

Wie in Europa wil in zo'n situatie, alles bij elkaar opgeteld, werkelijk een helpende hand uitsteken? Wie wil zijn nek uitsteken voor een land dat het geloof in zijn eigen missie een kruistocht als een civiele religie voor zich uitdraagt? Voor een president die zo schrijnend de werkelijkheid van Irak overschreeuwt met retoriek?

In Europa heeft het buitenlands beleid van president Bush onbedoeld een kaalslag aangericht. Het heeft Europa hopeloos verdeeld en de Europese Unie heeft zowel in Amerika als in de lidstaten zelf minachting dan wel schouderophalen geoogst. De Irak-kwestie is in Europa ontaard in een collectief brevet van onvermogen en dat is, alle bezweringen over toekomstgerichtheid ten spijt, nog niet voorbij. Het hele debat gaat in de meeste landen minder over de instabiliteit van de Arabische wereld en wat daaraan te doen, maar meer over de vraag of je Amerika moet willen helpen.

In zo'n discussie is Irak helaas slechts een vehikel voor een positiebepaling voor of tegen Amerika en dus voornamelijk een binnenlands-politiek gezelschapsspel waar alle spelers hun eigen, meestal betrekkelijk voorspelbare hoekje claimen. Het is bekrompen entertainment onder een dun laagje bevlogenheid.

Helpt het ook verder? Niet echt.

De grote drie in Europa hebben zich als antwoord in het voorjaar even een kleine demonstratie van alternatieve diplomatie veroorloofd. Gedrieën reisden de Engelse, Franse en Duitse ministers van Buitenlandse Zaken naar Teheran met het verzoek het Iraanse nucleaire programma te onderwerpen aan inspecties van het Internationaal Atoomagentschap. Zij waren er welkom en iedereen achtte het een aimabel alternatief voor de botte bijl van de invasie. Het heeft alleen niets opgeleverd en nu Amerika in Irak is gestrand, ontbreekt verder ook elke stok achter de deur jegens Iran. Het is een zorgelijk vooruitzicht.

In Duitsland doen nu de laatste weken suggesties de ronde om uit de impasse van Atlantische argwaan te komen. Stel eens dat president Bush bereid is om zich als partner te gedragen in plaats van als de machtigste man ter wereld. Of concreter: stel eens dat president Bush welwillender wordt jegens het Kyoto-milieuverdrag, jegens het antiraketverdrag. Stel dat Amerika respect toont voor de Geneefse oorlogsconventie en de misstanden in Guantánamo Bay en Abu Ghraib dienovereenkomstig te lijf gaat. Stel dat er enige onbevangenheid ontstaat jegens het Haagse Strafhof. Stel dat Amerika wat prudenter omspringt met staatsschuld en fiscale discipline. Stel dat al deze dingen in een pakket van `vertrouwenwekkende maatregelen' gebeuren, is er dan geen aanleiding voor de Europese landen om meer verantwoordelijkheid, ook militair, te dragen in Irak en Afghanistan?

Het zijn prikkelende Duitse gedachten, maar het vergt nogal wat. Om te beginnen van Amerika. Dat zou een ware metamorfose moeten ondergaan die verder reikt dan het presidentiële team. Het raakt een wereldbeeld dat zich na 9/11 als een legitimatie heeft vastgezet in brede lagen van de bevolking, het vergt staatsmanschap dat zeldzaam is. Bovendien, waarom zou Amerika zichzelf verloochenen jegens een continent met zo'n track-record? De nood in Irak is voor Amerikanen minder hoog dan hier weleens wordt gedacht, want het is een type oorlog dat je niet hoeft te verliezen, omdat je eruit weg kunt sluipen. Wie dacht dat de Verenigde Staten hier chantabel zijn, vergist zich.

In Europa vergt het nog veel meer. Het dwingt staatshoofden en regeringsleiders om te abstraheren van posities en prestiges en van provincialisme. De Spaanse premier heeft verkiezingen gewonnen met de belofte `wegwezen', de Britse premier heeft in Irak al a en b gezegd, een Frans staatshoofd ontleent nog altijd zijn identiteit aan de anti-Amerikaanse obsessie en diverse Oost-Europese landen ontlenen hun gevoel van veiligheid niet aan het oude Europa maar aan Amerika. Als optelsom heeft Europa in elk geval een tijdje vrijaf van de geschiedenis proberen te nemen. Dat zouden de toonaangevende landen allemaal in één keer ongedaan moeten maken.

Alleen voor Duitsland (en dus ook voor Nederland) zou zo'n Atlantische Herstart een praktische en aantrekkelijke route zijn. Het bevrijdt het land uit een onmogelijke spagaat tussen Amerika en Europa en, veel schurender nog, tussen Oost- en West-Europa. Misschien is daar dan ook de wens wel de vader van de gedachte. Dat maakt het niet minder interessant, maar enige realiteitszin kan geen kwaad.

Valt er voor Europa dan niets anders dan verdeeldheid te oogsten van vier en nog eens vier jaar opzichtig America first?

Toen de Amerikaanse minister van Financiën John Connally het einde van de stabiele dollar afkondigde, werd in Duitsland Helmut Schmidt in 1972 net minister van Financiën. Hij en zijn Franse collega Giscard d'Estaing spraken lang en diepgaand over de dollarcapriolen en zij zochten een offensieve bescherming: een Europese monetaire unie. Dertig jaar later heeft Europa de euro. Niemand hoeft meer nachtmerries te hebben van Europese munten die in deze dollarval van hun ankers slaan. De euro is hiermee op dit moment een godsgeschenk (maar helaas een van de categorie gezondheid: je merkt het pas als je het niet meer hebt).

De achterliggende economieën daarentegen zijn stuk voor stuk te traag om met de euro op grote schaal een alternatief te kunnen zijn voor de dollar. Hun dollar is nog altijd ons probleem.

Toch illustreert het voorbeeld hoe juist crises kansen bieden, hoe onmacht niet ontaardt in gejammer maar in nuttige actie. Twee terreinen dienen zich nu aan:

Versnelde revitalisatie van de sociale economie. Plannen hiervoor hebben de meeste landen. Alleen ontbreken draagvlak en een gevoel van urgentie om ermee aan de slag te kunnen gaan in een serieus tempo.

Daadwerkelijke verantwoordelijkheid voor stabiliteit in de ons omringende wereld, d.w.z. een Europese orkestratie van het nationale speeltje van het buitenlands beleid. Ook hier is veel denkwerk en voorwerk verricht maar ontbreekt het aan urgentie.

Nog vier jaar vintage-Bush hoeft niet tot nog vier jaar Europees weeklagen en tot loze drukdoenerij te leiden. Het kan brengen wat Europa collectief nooit heeft gehad en wat solerende staatshoofden en regeringsleiders hier nooit meer zullen krijgen: gezag en een beetje macht in de wereld.

Ben Knapen is lid van de Raad van Bestuur van PCM Uitgevers, van de Adviesraad

Internationale Vraagstukken en van het bestuur van de Carnegie Stichting.