Bewegen op een dwaalweg

Neurowetenschappers bezien hoofdschuddend de Brain Stimulating Method. Het zou helpen tegen dyslexie.

JORT (10) HEEFT een `verbale ontwikkelingsdyspraxie': hij kan de spieren die nodig zijn om te spreken niet goed aansturen. ``Toen hij naar de basisschool ging kon de leerkracht hem nauwelijks verstaan'', vertelt zijn moeder. Dankzij logopedie en speciaal onderwijs op een school voor kinderen met spraak- en taalproblemen ging Jort vooruit. Maar het laatste jaar leek zijn ontwikkeling stil te staan. En dus kroop zijn moeder achter de computer, op zoek naar alternatieve behandelingen. Al surfend kwam zij langs de site van de `Brain Stimulating Method' (BSM). ``Toen ik dat las dacht ik `ja, dat is op Jort van toepassing'.''

Nu staat de betreffende site vol met algemeenheden zoals slecht luisteren, slecht mee kunnen komen op school, ontremd gedrag, vaak `hè', zeggen, veel struikelen, veel huilen, veel driftbuien, dromerig zijn. Het zijn symptomen die horen bij een breed scala aan leer-, gedrags- en ontwikkelingsproblemen. De BSM-therapie claimt al deze problemen te kunnen oplossen: van dyslexie tot ADHD, van faalangst tot aan autisme verwante contactstoornissen. Hoe? Door lichamelijke oefeningen. Want, zeggen BSM-therapeuten: leer- en gedragsproblemen zijn terug te leiden tot een fysiek probleem dat behandelbaar is.

Jort staat midden in de kleine spreekkamer van BSM-therapeute Joke Dijkstra in Zoetermeer. Zij houdt een bal met twee handen vast, hij zwaait zijn arm omhoog en slaat haar de bal uit handen. ``De grote armbeweging is goed voor de bijnieren, tegen stress en pakt de gewrichten aan'', legt Dijkstra uit. Jort en zijn moeder zijn vandaag bij haar om de vorderingen te bespreken en de oefeningen nog eens door te nemen. Het is de derde sessie. De eerste twee keer werd de diagnose gesteld en de behandeling bepaald. Aan de hand van een dertien kantjes tellende vragenlijst heeft Dijkstra de hele historie van kind en familie doorgenomen: van het verloop van de zwangerschap tot wagenziekte bij het kind, van zijn uiterlijke kenmerken tot de motorische ontwikkeling.

Bij Jort richt zij zich op de stoelgang (ze heeft visolie voorgeschreven) en op de onrustige oogmotoriek die ze heeft geconstateerd. Daarvoor heeft ze een programma van lichamelijke oefeningen opgesteld, die Jort elke dag een kwartiertje moet doen: een potlood volgen met zijn ogen, wiebelen op de evenwichtsplank, kruipen. Dijkstra ``vermoedt'' een blokkade in de hals, waarvoor ze de jongen heeft doorverwezen naar een osteopaat, die `organen en beenderen één voor één weer beweeglijk maakt'.

De theorie achter de Brain Stimulating Method is dat bepaalde hersengebieden onvoldoende functioneren en dat de verbindingen tussen de hersengebieden door bepaalde oefeningen gestimuleerd kunnen worden. Janny de Jong-Koutstaal, grondlegster van de methode, studeerde een paar jaar Frans en gaf later bijles aan kinderen. Via zelfstudie bracht ze voor zichzelf de geleiding van de zenuwbanen van en naar de hersenen in kaart en koppelde daar leer- en gedragproblemen aan vast. Een van de kernwoorden is acetylcholine. De Jong: ``Dat is een neurotransmitter, een `hersenboodschapper'. Kinderen die deze stof onvoldoende aanmaken hebben moeite met leren, maar ook met kiezen: als ze eerst plus-sommen moeten maken en daarna min-sommen, maken ze nog een poosje plus-sommen. Hun brein volgt het bevel niet zo snel op. Met oefeningen kun je de aanmaak van acetylcholine bevorderen.''

Als Leo Blomert, Universitair Hoofddocent Cognitieve Neurowetenschappen aan de Universiteit Maastricht de uiteenzetting over de Brain Stimulating Method heeft beluisterd, volgt een diepe zucht aan de andere kant van de telefoon. ``Dit is het aan elkaar plakken van woorden zonder enige feitelijke grond, zonder enige evidentie. Er is geen enkele wetenschappelijke publicatie over. Van motorische activiteiten leer je niet lezen en schrijven. Een exotische therapie, noem ik het, een dwaalweg. Het zou hilarisch zijn als het hier niet ging om kinderen met problemen. Hun problemen zijn bloedernstig, daar moet je niet zo maar mee aanmodderen.''

Blomert heeft op het gebied van dyslexie vele `exotische' therapieën onderzocht. ``Het zijn therapieën waar ouders dik voor moeten betalen [zorgverzekeraars vergoeden het niet], maar waar hun kinderen niet mee zijn geholpen. Integendeel: het kan hun probleem zelfs verergeren. Het is namelijk niet zo dat als een therapie niet helpt, je hersenen na afloop niets geleerd hebben. Als je iets genoeg herhaalt, brengen de hersenen daar zelf structuur in aan. De hersenen blijven tot op hoge leeftijd plastisch en vooral bij kinderen leren de hersenen heel snel. Je kunt dingen dus ook verkeerd aanleren.'' Dat is de waarschuwing die Blomert wil meegeven aan ouders, die vaak denken `baat het niet, dan schaadt het ook niet'.

Naar eigen zeggen heeft De Jong heeft `duizenden' kinderen geholpen. Haar ruim veertig collega's idem dito. Maar slagingspercentages ontbreken.

Wat is de ervaring van de scholen? De meeste scholen staan huiverig tegenover dit soort methodes. Maar Els Baars, Intern Begeleider op verschillende openbare scholen in Skarsterlan, Friesland is enthousiast. Zij vertelt over een jongetje met een algemene ontwikkelingsachterstand, dat afstevende op het speciaal onderwijs. In groep drie kreeg hij BSM-therapie. Baars: ``Hij is nu de beste van de klas. Opzienbarend.'' Baars adviseerde vervolgens een jongen uit groep 5 met zware dyslexie de BSM therapie te volgen. ``Hij startte met AVI-0 - kon dus alleen woorden van vier letters of minder spellend lezen - en haalde in een paar maanden tijd AVI-4.''

``Elke alternatieve therapie heeft zulke succesverhalen'', zegt Chris Struiksma, dyslexie-onderzoeker bij het Pedologisch Instituut van de CED-Groep in Rotterdam. ``Als je als kind `slecht' binnenkomt, kun je alleen maar beter worden. Het zijn aspecifieke factoren zoals aandacht en een positieve sfeer die daaraan bijdragen. Overigens: als wij op onze leeskliniek zo'n spectaculaire vordering meemaken, concluderen wij daaruit dat het geen dyslexie was. Dan hebben wíj iets gemist.'' Ook hij heeft het niet begrepen op de alternatieve therapieën: ``De enige methode die werkt is: dicht bij je taak blijven voor dyslectici: beter leren lezen en oefenen, oefenen, oefenen.''