Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Deze week was ik in Venetië. Het regende onafgebroken. Het leek of ik een blik mocht werpen op de toekomst van de Westerse beschaving. Het St. Marco plein stond blank. Je moest over een smalle, geïmprovisserde catwalk 50 centimeter boven het water voortschuifelen. Massa's verveelde en ontredderde mensen stonden aan de uiteinden van de catwalk te wachten met beslagen brillen en duur gekochte wegwerp-paraplu's in de hand. Als je ergens op een leeg terras de massa probeerde te ontvluchten moest je 10 euro voor een kopje koffie betalen. Na een halve dag was ik zo beschaamd dat het me voor iedereen – verachte toeristen en cynische lokale uitbaters in gelijke mate – het beste leek als deze stad zo snel mogelijk door het water verzwolgen werd.

Iemand zei me dat mensen die liberaal zijn opgevoed zelfdestructief worden, terwijl mensen die autoritair zijn opgevoed de destructie op anderen botvieren. Ik kom uit een lange liberale traditie en denk inderdaad eerder aan zelfmoord dan aan moord (hoogst zelden overigens; ik vind het een vorm van valsspelen, als het omgooien van het Monopoly-bord, alleen te tolereren als het spel écht te lang duurt).

Mijn overgrootvader Stork was een overtuigd liberaal. Hij maakte de machinefabriek groot en richtte samen met Frits Fentener van Vlissingen, Anton Kröller en Anton Philips de Koninklijke Hoogovens op. Een gepassioneerde, gedisciplineerde man met geloof in vooruitgang. Hij stierf op gepaste wijze, in het harnas, aan een hartaanval, tijdens een Stork directievergadering. Hij was er van overtuigd dat de Nederlanders, net als de Saksen en de joden, de wereld moesten intrekken, om zich heenkijken, leren, ondernemen, contacten leggen en handel drijven. Zijn levensmotto ontleende hij aan een gedicht van Schiller:

Der Mann Muß hinaus

Ins feindlichen Leben,

Muß wirken und streben

Und pflanzen und schaffen,

erlisten, erraffen,

Muß wetten und wagen,

das Glück zu erjagen.

We waren thuis met vijf jongens. Hoewel ik van de vijf waarschijnlijk de enige ben die het motto (ik ben de freak die dat soort dingen leest) kent en we in ons hart allemaal Twentenaren zijn en aan de grond gebonden, hebben we onbewust toch naar hem geluisterd. Behalve één broer die slechts korte tijd in Harvard zat en een blauwe maandag de slachtoffers van schietpartijen in een New Yorks ziekenhuis mocht oplappen, hebben de anderen allemaal langere tijd in het buitenland gewoond en gewerkt (de oudste volgde de olie en leefde vijftien jaar in landen als Oman en Nigeria, de tweede ging in de financiële wereld en zat in het Ruhrgebied en the City, de jongste volgt de rauwe natuur en verblijft afwisselend in de wouden van Canada en de bergen van Nepal).

Sinds ik het motto van mijn overgrootvader een jaar of tien geleden bij toeval ontdekte, kon ik het niet vergeten. Bij de grote trek naar Hongarije was het in mijn kop. Mijn oudste broer zei (en wie Twentse familie's kent weet hoe zwaar het woord van de oudste broer weegt) nadat ik hem had verteld dat we voor lange tijd, misschien voor altijd, naar Centraal Europa gingen: ,,Ja, als je wat verder kijkt, naar volgende generaties, is het de juiste keuze. Daar is de ruimte, de groei, de mogelijkheden. Hier in Nederland heb je, als je eerlijk bent, eigenlijk weinig meer te zoeken.''

De taal die je je kinderen leert toont waar je de toekomst ziet. Mijn zonen gaan naar een internationale school. Een vriend, die jaren in het Midden-Oosten woonde en de arabische cultuur door en door kent, zei dat hij, wanneer hij kinderen had, ze zeker ook naar een internationale school zou sturen: ,,Ik betwijfel ten zeerste of mijn zoon over vijftien jaar in Nederland nog wel ongestraft homo zal kunnen zijn. Ik denk dat het heel belangrijk is Engels als eerste taal te spreken.''

Hier in het Boedapest merk ik dat ik heimelijk erg trots ben op Nederland – op de lange liberale traditie, de tolerantie, de vrijheid van meningsuiting, de samenwerking, de zorg om anderen, het optimisme, de ondernemingszin. Symbool in optima forma van de Nederlandse tolerantie en het relativeringsvermogen waren voor mij de vrijelijk door de hoofdstad fietsende `bekende Nederlanders'.

Autoritair opgevoede mensen moet je autoritair en hard aanpakken. Iets anders begrijpen ze namelijk niet. Het Molukse geweld in de jaren zeventig – overigens wél voor een goede zaak – kwam ten einde nadat zes van de kapers de treinkaping bij De Punt met de dood hadden bekocht. De vraag is of de Nederlandse politiek, als de gelegenheid zich voordoet, nu bereid zal zijn op afdoende wijze moslimfundamentalisten aan te pakken.

De andere mogelijkheid is de liberale weg te volgen en daar de consequenties van te nemen. Dan ligt de grote ruimte hier, in Centraal Europa. In de loop der eeuwen zijn er honderdduizenden Duitsers – onder wie veel Saksen – naar Transsylvanië (Siebenburgen) geëmigreerd. De meerderheid is de afgelopen vijftien jaar vertrokken. De Duitse scholen in Transsylvanië zijn gesloten of staan op het punt van sluiten. Hele middeleeuwse dorpen met droomboerderijen liggen in dit allermooiste stuk Europa verlaten te wachten op een volgende golf van nijvere emigranten. Dé plek om `Nieuw Holland' te beginnen.

Fundamentalistische moslims kunnen dan ongestoord het drassige polderland overnemen – van dijkverzwaring hebben ze alleen weinig kaas gegeten. Ze zullen het zendingsbevel moeten vergeten, milder worden en samenwerken; of door de zee verzwolgen worden.