Afscheid

Het sterven houdt niet op. Mijn vrouw zei: ,,Gerrie Knetemann is dood.'' Ik dacht dat ze zei: ,,Knetemann is over het ravijn gaan hangen om de dood in de ogen te zien.'' Zo kende ik hem: bravoure, niets dan bravoure, en dat tot in het lugubere trekje van Amsterdammers. De dood spelen, ja daar was Gerrie wel voor te vinden. Wat speelde hij eigenlijk niet?

Een dag later las ik het requiem van Jan Raas in deze krant. Jan liet noteren: ,,Ik kan niet vergeten dat de Kneet veel mensen heeft geflikt. Het hoorde bij zijn venijnige karakter.'' Ineens was ik meer geraakt door de vrijmoedigheid van Raas dan door de dood van Knetemann. Hoe vrij is vrije meningsuiting in en na de dood. Lees de rouwadvertenties, lees de doodsprentjes. Wie zou er dan niet als engel geboren zijn? Of als geheugen van de beschaving? Extreme familieman bovendien. En zo gevoelig voor kinderen en dieren.

Ik had het moeilijk met Gerrie. Hij was mij altijd iets te grappig, iets te doorzichtig in de mercantiele bijbedoelingen, iets te geforceerd in bescheidenheid. Barry Hughes heeft dat ook, maar Barry is authentieker – tenslotte allochtoon. Dan wordt een grap met een baard toch een grap.

Knetemann hield van geheimdoenerij. Vroeg hem naar doping en hij had het over Gelderse worst. Overspel? Niet op de fiets, en ook niet bij mij thuis! Geld was hem al helemaal een vloek, terwijl hij bij het leven schnabbelde. De sociaal-democraat Gerrie Knetemann, maar dan als de ongeletterde versie van Wouter Bos. Lullen, kwekken, gel in de haren en verder zien we wel waar we uitkomen. Een baby op schoot is ook nooit weg.

Knetemann was goedaardig populisme. Eigenlijk kon hij het zelf niet helpen dat hij zo gefocust was op applaus en schouderklopjes, op sentiment als behang van een leven. Hij wou én Wim Kok zijn, én Marco Borsato, én Peter Post. Een drievuldigheid, verenigd in de swing van Tony Eijk. En daar overheen: de vrolijkheid van een buitenaards wezen. Je vraagt je af wat hij in de nabijheid van een zuurpruim als Joop Atsma zocht? Nou, Joop was zijn stalknecht.

Hij hield van zijn vrouw en van zijn kinderen. Ik heb weinig wielrenners gekend die zo fanatiek over het thuisfront spraken als de Kneet. Greet had de macht, van het offer. Dat het bestond, daar schrok een stratenmaker van. Hij was er niet op bedacht dat anderen konden inbreken in zijn cynisme, in zijn harnas van lollige gemeenplaatsen. Gerrie fietste voor Greet.

Als wielrenner was hij een kannibaal, met minder talent dan Merckx en Raas, maar met meer furie dan Boogerd en Dekker. De 'Kneet' kon zo door het lint gaan dat hij niet meer van zijn ingewanden wist. En ook niet van vorm en mechaniek. Voor zo ver hij het nog onder de mensen hield, was het een explosie van hoogmoed en venijn, van ultieme wilskracht en leegte. Vervreemd van zichzelf: vreugde en verdriet als een grimas.

We hebben elkaar vaak ontmoet. Professioneel en anderszins. En altijd zei hij: ,,Hoe kun je in godsnaam als Belg geboren worden?'' Terwijl juist hij een `flandriën' van de oude stempel was. Een stoemper, een kasseivreter, held van lage luchten, vertederd door varkens achter het huis. Alles aan hem was zuiders, behalve de ascese. Behalve ook zijn aangeboren gierigheid: Gerrie kon huilen uit één oog.

Hij had iets van André Hazes. Rolex, kettinkjes, een brilmontuur op de hoogte van design. Toch toegankelijk en niet te beroerd om in een pannenkoekenhuis te staan. Een gemoedelijke parvenu, zeg maar. En zoals parvenu's zijn: kritiek kon hij niet hebben. Dan gingen de sluizen open van solide haat en kwaadsprekerij. In verachting kon Gerrie iedereen overtreffen, zelfs Jan Raas.

Ik lees dat hij op de dag van het grote afscheid geen bloemen wil. Knetemann houdt niet van bloemen. Zo ken ik hem weer: open en bloot de eeuwigheid tegemoet, vooral niet toegedekt, laat staan verduisterd. Een fanfare zou wel mogen, maar tot de formulering van deze wens is het helaas niet meer gekomen. En dus zal het al met al stil zijn, de dag dat Gerrie wordt begraven. Gezien de gebeurtenissen in Nederland lijkt het wel een prefab-stilte. Stilte in de dood is hier elitair geworden, een luxe.

Gerhard Friedrich Knetemann, wat een prachtige naam. Een naam voor Rilke, niet voor Jean-Marie Leblanc. Zou hij zijn naam ooit voluit in bewondering gedragen hebben? Ik denk het niet. Knetemann was toch liever de `Kneet'. Een lucratieve paljas met een diep misprijzen voor andersdenken.