Achteraf zijn er altijd voortekens

Russen geloven heilig in voortekens. Achteraf zijn er ook altijd voortekens. Zo had mijn medereiziger Oleg Klimov op de heenweg naar Oekraïne bange voorgevoelens over het linkervoorwiel. We vervingen dat uit voorzorg door een nieuw reservewiel.

Maandagavond klapt vlak na de Oekraïens-Russische grens juist die band als ik in het donker met een snelheid van 70 kilometer per uur een diep gat in de weg probeer te ontwijken. Plots heeft de auto een eigen wil. Een misselijk gevoel van déja vu: exact zo verongelukte ik negen jaar geleden in Bosnië. Opnieuw slipt de auto naar links, daar wacht ditmaal een berkenbos. Daarna walsen we naar rechts en rollen een helling af. Bagage, kaarten en pakjes sigaretten tuimelen in slow motion om ons heen. Ik kijk Oleg verbaasd aan, hij kijkt verbaasd terug.

De auto komt 180 graden gedraaid tot stilstand. ,,Leef je nog'', vraag ik, mijn handen krampachtig om het stuur geklemd. Oleg zit als een zoutpilaar naast me, de motor snort alsof er niets is gebeurd. We kruipen naar buiten, een snoer met een computermuis hangt om mijn nek.

Twee uur later drinken we bibberig thee. Op een blauwe plek na zijn we puntgaaf. ,,Heb jij dat gevoel ook?'', vraagt Oleg. ,,Misschien zijn we eigenlijk dood en zitten we in het schimmenrijk. Of zijn we met auto en al een parallel universum binnengerold.'' We zijn inderdaad op een vreemde plek, omringd door rare mensen. Waarom is elk tafeltje in de kantine van dit verlaten tankstation bezet? Verkeer is er niet op dit late uur, in de wijde omtrek ligt geen enkel dorp. Achter ons wacht een groep kale jongens in trainingspak broeierig op iets. Soms klimt één van hen plots over de bar en draait de radio keihard aan. De buffetdame scheldt de grinnikende jongens dan uit en zet de radio zachter. Twee sjofele mannen spoelen gehaktballen met wodka weg, drie meisjes zitten naast ons naar eigen zeggen al anderhalve dag op een lift te wachten. Truckershoeren, ze stinken en missen wat tanden. Een boertje in lompen waggelt naar ons toe met een tas waar de kop van een gans uitsteekt. ,,Driehonderd roebel. Hij weegt zes kilo.'' We kijken hem glazig aan. De gans sist.

Verkeersagent Vasja drinkt een biertje. Een standaardtype uit de Russische dorpskomedie: snor, vadsige buik, uniform vol vetvlekken. Toen Vasja ons twee uur geleden bovenaan de helling trof, begon hij automatisch te schreeuwen. Dat wordt een forse boete! Tot hij beneden onze gekreukelde wagen zag en zijn ogen mistig werden. ,,Jullie leven, mijn God, jullie leven!'' Hij beukte ons op de schouders en beloofde alles te regelen. Een jeep trok onze KIA Sportage naar het tankstation.

Geen slechte kerel, deze Vasja. Hij neemt ons mee naar zijn kantoor voor een spravka, een verklaring voor de verzekering. We wachten de bekende treurzang over zijn lage salaris maar niet af en geven hem meteen duizend roebel. ,,In principe neem ik nooit geld aan'', zegt Vasja preuts. ,,Maar als het dan moet.'' Hij trekt zich met formulieren en stempels terug op het toilet, waar hij kennelijk graag zijn zaakjes regelt. Terug op het tankstation doet Vasja ons een aanbod. ,,Als jullie iets zonder belasting naar Oekraïne willen vervoeren, hier is mijn telefoonnummer.'' Bedoelt hij smokkelen? De agent knikt enthousiast. ,,Iedereen hier smokkelt.''

Dat verklaart de nachtelijke drukte. Vasja stelt ons voor aan Valeri, `ons hoofd douane'. Deze bedachtzame man in camouflagejas is voor alles in. ,,Wapens, drugs en Chinezen, maar meestal smokkelen wij gewoon melk of vlees.'' Een enerverend beroep: Valeri toont vijf kogelgaten in het chassis van zijn Lada. Zijn zakenpartners rijden vrachtwagens het niemandsland in, Valeri en zijn mannen laden de inhoud over op auto's. Per vrachtwagen levert dat 300 dollar op. Vannacht wachten er vijf trucks, maar de grenswacht ruikt onraad. Dus wacht iedereen hier tot spionnen het sein veilig geven.

Valeri sympathiseert met ons. Zelf had hij twee jaar geleden ook een klapband. ,,Ik lag 21 dagen in coma, mijn ribbenkast leek wel een legpuzzel.'' Zijn mannen repareren vloekend onze lekke banden. De KIA rijdt nog prima, de blikschade en de sterren in de voorruit ten spijt. We wuiven en zetten onze tocht stapvoets voort. Na een halve minuut opnieuw een lekke band. Weer het linker voorwiel. Miserabel keren we terug.

We sluimeren die nacht onrustig op de voorbank van de auto. Een piepjonge grenswachter komt rond drie uur binnenlopen, machinegeweer onder zijn arm. De muziek gaat uit, de klanten stappen in hun Lada's en rijden naar niemandsland. Een trucker geeft de drie meisjes een lift. Uit de duisternis duiken vijf mannen op met enorme tassen op hun rug, even later maaien twee van hen brullend op elkaar in zonder iets te raken. Het boertje tikte tegen ons raampje en wijst op zijn gans. ,,250 roebel?'' Zijn ,,ouwe teef'' ligt in het ziekenhuis, legt hij uit. Wat dat niet kost! Hij spuugt teder een rochel op het asfalt. Nu verkoopt hij zijn dieren. Een varken dan? Vijfduizend roebel.

Smokkelbaas Valeri wekt ons rond zes uur. Op de kaart wijst hij aan waar we zijn: in de `Bermuda-driehoek' tussen drie hoofdwegen. Hier openden in 1943 de nazi's de slag om Koersk, de grootste tankveldslag uit de geschiedenis. Valeri: ,,Dit is een enorm knekelveld, we graven nog steeds Duitse skeletten op. Geen goede plek, teveel onrustige geesten.'' Niet zo lang geleden verongelukte hier een bus met slagveldtoeristen, zegt hij: 27 doden.

Met geïmproviseerde banden gaan we in de ochtendschemering weer op weg naar Moskou. Na een half uur doemen twee wrakken op aan weerszijden van de weg: een zwarte Mercedes, een zwarte Volkswagen. Verkeersagenten doen onderzoek: hoe hebben zij elkaar 's nachts op deze stille weg frontaal weten te raken? We rijden tussen de verkreukelde motorkappen door.

De chauffeurs zitten nog achter het stuur, hun hoofden achterover geklapt. Ze staren elkaar aan met een blik van opperste verbazing in hun dode ogen. Misschien geen tijd gehad om zich de voortekens te herinneren.